Op 28 april 2025 is een uitspraak van Rechtbank Zeeland- West-Brabant gepubliceerd waarin het ging over de vraag of een bijtelling in aanmerking had moeten worden genomen vanwege het privégebruik van een ter beschikking gestelde auto.
Belanghebbende in deze zaak, die aan zijn werkgever een verklaring ‘geen privégebruik auto’ had afgegeven, gaf aan in privé over meerdere auto’s te beschikken en dat privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto niet was toegestaan. Privégebruik van de auto van de zaak zou volgens hem daarmee niet aannemelijk zijn.
De Belastingdienst was daarvan niet overtuigd en wenste nadere informatie te ontvangen waaruit blijkt dat met de auto van de zaak op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 privékilometers is gereden. Dit verzoek was mede ingegeven door de inconsistentie tussen de verstrekte rittenregistraties over eerdere jaren en kilometeroverzichten zoals die geregistreerd staan in de Nationale Autopas. Belanghebbende probeerde – ondanks deze inconsistentie – aan de hand van de rittenregistraties over eerdere jaren het gebruik van de auto van de zaak in 2019 en 2020 te construeren.
De rechtbank merkt op dat een gereconstrueerde rittenregistratie het risico meebrengt dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven. Aan een achteraf opgestelde kilometeradministratie komt dan ook minder bewijskracht toe en daarmee zal ook niet snel kunnen worden voldaan aan de zwaardere bewijsmaatstaf van doen blijken.
Gelet op de door de inspecteur benoemde gebreken en hiaten in de door belanghebbende overgelegde kilometeradministratie en overige bescheiden is de rechtbank van oordeel dat belanghebbende daarmee niet heeft doen blijken dat de auto op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Er moet dus een bijtelling privégebruik auto in aanmerking worden genomen.
Naast de verschuldigde inkomstenbelasting over de bijtelling is belanghebbende ook een verzuimboete verschuldigd. Deze verzuimboete wordt gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie (undue delay). De redelijke termijn van 24 maanden is met (afgerond) 1 maand overschreden. De verzuimboete wordt dientengevolge met 5% verminderd.
Heeft u vragen over de fiscale regels m.b.t. het gebruik van de auto van de zaak, neem dan gerust contact met ons op.
