Actuele uitspraken over toepassing van de 30%-regeling

Krachtens art. 31a, lid 2, onderdeel e, en de leden 8 en 9 van de Wet op de loonbelasting 1964 kan een werknemer -met inachtneming van voorwaarden- in aanmerking komen voor een vergoeding van extraterritoriale kosten tot een bedrag van 30% van het loon. Dit is de zogeheten 30%-regeling. De voorwaarden staan in art. 10e e.v. Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB).

Recent zijn er drie uitspraken van Rechtbank Zeeland-West-Brabant gepubliceerd over de toepassing van de 30%-regeling.

De eerste uitspraak is op 5 november 2025 gepubliceerd. In deze zaak had belanghebbende recht op toepassing van de 30%-regeling maar ging hij gedurende de looptijd van de 30%-regeling bij een andere inhoudingsplichtige werken. Tussen de aanvraag tot voortzetting van de 30%-regeling en de indiensttreding bij de nieuwe inhoudingsplichtige zat meer dan vier maanden, zodat aan het verzoek tot voortzetting geen terugwerkende kracht werd toegekend (art. 10ei, lid 2, UBLB). De rechtbank merkt ten aanzien van het punt van de voortgezette toepassing van de 30%-regeling (nog) op dat de inspecteur geen beleidsruimte heeft om belanghebbende deels tegemoet te komen.

In een op 6 november 2025 gepubliceerde uitspraak verzocht belanghebbende om toepassing van de 30%-regeling. Het ging in deze zaak met name om de vraag of belanghebbende ten tijde van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst met de werkgever uit een ander land is aangeworven d.w.z. had ze op dat moment een woonplaats in Nederland. Op basis van de feiten concludeert de rechtbank dat belanghebbende er niet in geslaagd acht aannemelijk te maken dat zij ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst nog niet haar woonplaats in Nederland had. Zij woonde samen met haar echtgenoot in Nederland, beschikte over een verblijfsvergunning, zorgverzekering en woning, en gaf in haar aangifte aan dat zij sinds april 2023 inwoner van Nederland is. Dat belanghebbende naast haar band met Nederland nog een duurzame band met Iran had doet op zichzelf aan het voorgaande niet af. Het gaat er immers om vast te stellen of belanghebbende een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en niet of deze sterker of minder sterk is dan haar band met Iran. En die duurzame band van persoonlijke aard met Nederland was er. Belanghebbende heeft dus geen recht op toepassing van de 30%-regeling.

Op 6 november 2025 is nog een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant gepubliceerd over de toepassing van de 30%-regeling. Ook deze belanghebbende werd niet geacht aangeworven te zijn uit een ander land, omdat zij ten tijde van de totstandkoming van haar arbeidsovereenkomst al in Nederland werkzaam was. Haar eerdere internship bij een Nederlandse onderneming wordt niet als stage -waarvoor voor de toepassing van de 30%-regeling een uitzondering geldt- gezien. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar werkzaamheden voor de Nederlandse onderneming primair dienden om kennis en ervaring op te doen. De uitkomst zou anders geweest zijn als het internship onderdeel zou zijn geweest van een opleiding.

Heb je vragen over de toepassing van de 30%-regeling of misschien wel een discussie met de Belastingdienst hierover, neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via