Krachtens art. 31a, lid 2, onderdeel h, Wet op de loonbelasting 1964 geldt er binnen de werkkostenregeling een gerichte vrijstelling voor bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek worden gebruikt of verbruikt. Deze ministeriële regeling is art. 8.4a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011). Deze regeling bepaalt dat er een gerichte vrijstelling geldt voor zogeheten Arbovoorzieningen en hulpmiddelen, die ook elders gebruikt kunnen worden, die minstens 90% zakelijk gebruikt worden.
Voor Arbovoorzieningen gold binnen de werkkostenregeling oorspronkelijk een nihilwaardering (art. 3.7 URLB 2011). Sinds 1 januari 2015 geldt er een gerichte vrijstelling waardoor ook voor de vergoeding van kosten van een Arbovoorziening een faciliteit geldt. In de toelichting op de introductie van art. 8.4a URLB 2011 is opgemerkt dat de voorwaarden voor de gerichte vrijstelling zijn ontleend aan de tot 1 januari 2015 in art. 3.7 URLB 2011 opgenomen voorwaarden voor de nihilwaardering van een verstrekking van een dergelijke voorziening. Per 1 januari 2022 zijn deze voorwaarden aangescherpt, zij het dat de Staatsecretaris van Financiën de wijziging van art. 8.4a, lid 1, onderdeel a, URLB 2011heeft toegelicht als een verduidelijking.
Op 11 juni 2026 is een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant gepubliceerd waarbij in geschil was of de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen in 2018 t/m 2020 kon worden toegepast voor een vergoeding van kosten voor personal training en abonnementen voor een sportschool. Deze kosten zijn gemaakt voor de DGA en zijn echtgenote die in loondienst is bij de deelneming . Belanghebbende in onderhavige zaak was de holding.
De inspecteur stelt dat de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing is omdat deze enkel spreekt over werkgevers en werknemers .De DGA zou als zelfstandige moeten worden aangemerkt. De rechtbank volgt de Inspecteur niet omdat er sprake zou zijn van een gezagsverhouding. Vervolgens gaat de rechtbank in op de vraag of personal training en een sportschoolabonnement binnen de kaders van de Arbeidsomstandighedenwet vallen?
Naar het oordeel van de rechtbank hoeft in onderhavige zaak geen direct verband te bestaan tussen de kostenvergoeding en de preventie van ziekteverzuim om de gerichte vrijstelling te kunnen toepassen. De gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen was (destijds) ruim waardoor ook het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling. Daarbij maakt de rechtbank wel de kanttekening dat dit alleen geldt voor de DGA en niet voor de kosten die gemaakt zijn voor zijn partner. De kosten voor de partner vallen naar het oordeel van de rechtbank niet onder de gerichte vrijstelling. De partner van de DGA is namelijk geen werknemer van belanghebbende.
Het feit dat de voorzieningen buiten de werkplek hebben plaatsgevonden, staat aan toepassing van de gerichte vrijstelling niet in de weg. Uit artikel 8.4a, lid 2, onderdeel b, URLB 2011 volgt dat ook Arbovoorzieningen buiten de werkplek kunnen vallen onder de gerichte vrijstelling. Dit komt ook terug in het Handboek Loonheffingen.
Kortom, naar het oordeel van de rechtbank wordt aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling voldaan. Een interessante uitspraak, zij het dat de tekst van art . 8.4a, eerste lid, onderdeel a, URLB 2011 per 1 januari 2022 is gewijzigd. Nu is vereist dat het moet gaan om voorzieningen die direct samenhangen met verplichtingen van de inhoudingsplichtige op grond van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, met inachtneming van artikel 44 van die wet. Vóór 2022 was voldoende dat de voorzieningen rechtstreeks voortvloeiden uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voerde op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht of anderszins over de werkkostenregeling? Neem dan gerust contact met ons op.
