Belangrijke wijziging ten aanzien van parkeren in de omgeving van de werkplek maar ook voor de nihilwaardering in algemene zin!

Op 9 oktober 2025 is een standpunt van de Kennisgroep loonheffingen algemeen van de Belastingdienst gepubliceerd over het parkeren tijdens vakantie in de omgeving van het bedrijfsterrein van de werkgever. Het parkeerterrein in deze casus is wel in gebruik van de werkgever maar hij stelt het ter beschikking aan consumenten om tegen betaling te parkeren.  De vraag is of het parkeren op dit parkeerterrein tijdens een vakantieperiode van de werknemer is aan te merken als een voorziening op de werkplek waarvoor de nihilwaardering van art. 3.7, lid 1, onderdeel a, URLB 2011 geldt?

De Belastingdienst neemt het standpunt in dat het gratis parkeren tijdens de vakantie belast loon in natura vormt. De waarde hiervan bedraagt het tarief dat consumenten verschuldigd zijn voor het parkeren op dat terrein. Echter, de werkgever kan vertrouwen ontlenen aan het Handboek Loonheffingen 2025 waarin in paragraaf 23.10.1 is opgenomen dat een parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek op nihil kan worden gewaardeerd als een werknemer de werkgever met succes aansprakelijk kan stellen. Het Handboek Loonheffingen 2025 maakt hierbij geen onderscheid waarvoor en wanneer de werknemer gebruik maakt van de parkeergelegenheid.

De Belastingdienst heeft aangegeven dat de tekst van het Handboek Loonheffingen op dit punt wordt aangepast aan de regelgeving. Voor werkgevers die vóór het onderhavige kennisgroep standpunt (lees: vóór 9 oktober 2025) op basis van de  tekst van het Handboek Loonheffingen 2025 parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek ter beschikking stellen aan hun werknemers geldt een overgangsperiode. De tekst in het Handboek Loonheffingen 2025 geldt voor deze werkgevers tot de datum van publicatie van het Handboek Loonheffingen 2026. Andere werkgevers worden direct geconfronteerd met dit standpunt.

Het is goed om in te zoomen op de twee belangrijke overwegingen bij dit standpunt.

Belastingdienst lijkt toepassing van de nihilwaardering te willen beperken

Voor de nihilwaardering voor een voorziening op de werkplek van art. 3.7, lid 1 , onderdeel a, URLB 2011 moet sprake zijn van een werkplek in de zin van art. 1.2, lid 1, onderdeel f, URLB 2011. In de wetsgeschiedenis is aangegeven dat ook een parkeerterrein kan kwalificeren als werkplek. De vraag is of het parkeerterrein in casu een werkplek is voor de betreffende werknemer? Daarvan is sprake als:

  • de parkeergelegenheid zich bevindt op het bedrijfsterrein van het kantoor waar de betreffende werknemer werkzaam is; of
  • de parkeergelegenheid voor de werknemer een werkplek in de zin van artikel 1.2, lid 1, onderdeel f, URLB 2011 vormt: wordt de plaats door de werknemers in verband met het verrichten van arbeid gebruikt?

In paragraaf 23.10.1 van het Handboek Loonheffingen 2025 is aangegeven dat een parkeerplaats in de omgeving van de plaats van werkzaamheden ook als werkplek kwalificeert als de werkgever verantwoordelijk is voor de parkeergelegenheid. Het Handboek Loonheffingen is op dit punt dus ruimer dan de regelgeving.

Ofschoon sprake zou kunnen zijn van een werkplek is de Belastingdienst van mening dat de nihilwaardering niet toegepast kan worden. Voor een nihilwaardering is volgens de Belastingdienst vereist dat de werkgever de voorziening in het belang van het arbeidsproces of het bedrijfsproces noodzakelijk vindt of vanwege wettelijke verplichtingen aanbiedt. Daarvan is in casu geen sprake. De Belastingdienst verwijst voor deze redenatie naar blz. 28 van de ministeriële regeling van 8 september 2010.

Deze redenatie van de Belastingdienst maakt dat de nihilwaardering mogelijk ook voor andere voorzieningen op de werkplek niet toegepast kan worden. Denk bijvoorbeeld aan fitness op de werkplek. Op dezelfde blz. 28 van de ministeriële regeling wordt echter – zonder nadere toelichting – opgemerkt dat het genot van het gebruik van een fitnessruimte op de werkplek op nihil wordt gewaardeerd. Door de onderbouwing van het standpunt over parkeren tijdens vakantie is de vraag hoe de Belastingdienst nu tegen deze opmerking in de ministeriële regeling aankijkt.

Karakter van het Handboek Loonheffingen

Het Handboek Loonheffingen wordt gezien als voorlichtingsmateriaal vanuit de Belastingdienst. Het Handboek Loonheffingen heeft daarmee in beginsel niet dezelfde rechtszekerheid als een beleidsbesluit. Omdat de Staatssecretaris van Financiën dit ongewenst acht voor werkgevers die bij het nakomen van hun inhoudingsplicht in redelijkheid afgaan op het Handboek Loonheffingen heeft hij – voor het eerst in zijn besluit van 17 december 2014 – medegedeeld dat de Belastingdienst in zo’n geval de handelwijze van de werkgever zal volgen. Hiermee heeft de staatssecretaris het Handboek Loonheffingen gelijkgesteld met een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur, waar de werkgever in rechte te honoreren vertrouwen aan kan ontlenen. De publicatie in het Handboek Loonheffingen krijgt daarmee echter niet het formele karakter van een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en evenmin van recht in de zin van artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie.

In het Handboek Loonheffingen worden minder (stringente) voorwaarden gesteld aan de toepassing van de nihilwaardering voor de verstrekking van parkeergelegenheid dan de regelgeving op dit punt. Door de toezegging van de staatssecretaris pakt dit (tot de publicatie van het Handboek Loonheffingen 2026) gunstig uit voor de werkgever in deze casus, zij het dat andere werkgevers vanaf 9 oktober 2025 te maken krijgen met bovenstaand standpunt van de Belastingdienst. Je bent dus gewaarschuwd!

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via