BV heeft toch recht op aftrek van btw op advocaatkosten van bestuurder

Een rechter mag zich niet buiten de rechtsstrijd treden, bijvoorbeeld door uit eigen beweging feiten vast te stellen en hieruit conclusies te trekken. Wanneer de rechter, uitgaande van de vastgestelde feiten, constateert dat de wettelijke bepalingen die de grondslag vormen voor de beslechting van het geschil dat partijen verdeeld houdt, niet of anders moeten worden toegepast dan partijen voor ogen staat, dan kan dat wel. De rechter schendt dan het bepaalde in art. 8:69, lid 2, Algemene wet bestuursrecht niet.

De Hoge Raad heeft op 11 april 2025 geoordeeld dat Gerechtshof Amsterdam buiten de rechtsstrijd is getreden door uit eigen beweging de voor het BUA benodigde feiten vast te stellen en uit die feiten te concluderen dat de aftrek moet worden geweigerd.

Wat is de casus?

Belanghebbende is een vermogensbeheerder.  Het Openbaar Ministerie is in 2013 een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen zowel belanghebbende als één van haar bestuurders. Het Openbaar Ministerie verdacht belanghebbende van het plegen van valsheid in geschrifte en witwassen, en de bestuurder van het feitelijk leidinggeven aan dan wel medeplegen van deze strafbare feiten, en – met deze strafbare feiten verband houdend – het indienen van onjuiste belastingaangiften. Een advocatenkantoor heeft, in opdracht en voor rekening van belanghebbende, de bestuurder rechtsbijstand verleend in het kader van de tegen de bestuurder ingestelde strafrechtelijke procedure. Het advocatenkantoor heeft voor die dienstverlening aan belanghebbende facturen uitgereikt. Belanghebbende heeft de facturen betaald. In dit fiscale geschil is de vraag aan de orde of de omzetbelasting (btw) op deze facturen aftrekbaar is voor zover die ziet op de bestuurder.

De Inspecteur heeft voor Rechtbank Noord-Holland zijn stelling over toepassing van de BUA in relatie tot de btw op de advocaatkosten uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken. De Inspecteur heeft in hoger beroep niet meer een beroep op deze wettelijke bepalingen gedaan. Het Hof is uit eigen beweging de voor toepassing van de BUA benodigde feiten gaan vaststellen en heeft, uitgaande van die feiten, op grond van die bepalingen geoordeeld dat de gevraagde btw-aftrek moet worden geweigerd. Hiermee is het Hof, zo oordeelt de Hoge Raad, buiten de rechtsstrijd getreden. Het beroep van belanghebbende tegen de hofuitspraak is gegrond en de naheffingsaanslagen worden in zoverre vernietigd. Voor de periode 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016 heeft belanghebbende recht op een btw-teruggaaf van in totaal € 115.564.

Mocht u vragen hebben over de fiscale aspecten van advocaatkosten, neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via