Vrijgevestigde medisch specialisten zijn verplicht om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten ter dekking van eventuele schade die zij veroorzaken bij de uitoefening van hun beroep. Op grond van art. 7:462 BW is een ziekenhuis (mede)aansprakelijkheid voor de verrichtingen van een medisch specialist in het ziekenhuis. Het maakt daarbij niet uit of de medisch specialist in loondienst is van het ziekenhuis of vrijgevestigd is.
Om dubbele verzekering te voorkomen, betaalt doorgaans het ziekenhuis de volledige premie aan de verzekeraar d.w.z. ook voor zover het de aansprakelijkheid betreft voor schade veroorzaakt door een vrijgevestigde medisch specialist. Het ziekenhuis belast vervolgens een deel van de verzekeringspremie door aan de vrijgevestigde medisch specialisten of hun medisch specialistisch bedrijf (hierna: het MSB).
De vraag die onlangs aan Gerechtshof Amsterdam is voorgelegd, is of het doorbelasten van de verzekeringspremie voor een aansprakelijkheidsverzekering door een ziekenhuis aan een MSB vrijgesteld is van btw. In een uitspraak van 10 april 2025 heeft het Hof geoordeeld dat sprake is van diensten onder bezwarende titel die zijn te duiden als handelingen ter zake van verzekering die zijn vrijgesteld op grond van art.11, lid 1, onder k, Wet OB.
De vraag was of de Staatssecretaris van Financiën tegen dit oordeel in cassatie zou gaan. De cassatietermijn is verstreken en er blijkt geen cassatie te zijn ingesteld. Nu geen cassatie is ingesteld, staat definitief vast dat het doorbelasten van een verzekeringspremies voor een aansprakelijkheidsverzekering door een ziekenhuis aan een MSB, vrijgesteld is van btw.
Ziekenhuizen die in het verleden btw hebben berekend over doorbelaste verzekeringspremies en tegen de afgedragen btw bezwaar hebben aangetekend, kunnen een btw-teruggaaf tegemoet zien. Ziekenhuizen die geen of niet tijdig bezwaar hebben aangetekend tegen de btw-afdracht kunnen alsnog verzoeken om een ambtshalve teruggaaf van btw. De Belastingdienst neemt doorgaans het standpunt in dat nieuwe jurisprudentie geen terugwerkende kracht heeft en dus alleen geldt voor openstaande of toekomstige situaties. Daarom wijst de Belastingdienst een verzoek om ambtshalve teruggaaf voor tijdvakken vóór de datum van de uitspraak in de regel af. Echter, de rechter kan wél oordelen dat de ambtshalve teruggaaf toch moet worden verleend, ook voor oudere tijdvakken, als de nieuwe jurisprudentie een juiste uitleg van het bestaande recht betreft (dus niet een nieuwe regel, maar verduidelijking, de feiten vergelijkbaar zijn en het ambtshalve verzoek binnen de vijf-jaarstermijn is gedaan. Misschien toch maar proberen.
Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht? Of overweegt u een verzoek tot ambtshalve teruggaaf in te dienen? Neem dan contact met ons op.
