Wanneer een uitlener van werknemers, zoals een uitzend-of detacheringsbureau, de verschuldigde loonheffingen en/of omzetbelasting niet volledig betaalt, dan kan de inlener daar op grond van art. 34 Invorderingswet 1990 (IW 1990) aansprakelijk voor worden gesteld indien de werknemers onder zijn toezicht of leiding werkzaam zijn geweest. Beter gezegd, de Belastingdienst kan dan de niet betaalde loonheffingen en/of omzetbelasting bij de inlener invorderen.
Om het risico van inlenersaansprakelijkheid te beperken of zelfs te voorkomen, kunnen verschillende maatregelen worden genomen. Denk bijvoorbeeld aan het splitsen van de betaling van de factuur d.w.z. een deel op de reguliere bankrekening van de uitlener en een deel op zijn geblokkeerde rekening. Wil zo’n gesplitste betaling effectief zijn als risicobeperkende maatregel tegen inlenersaansprakelijkheid dan moeten wel verschillende voorwaarden in acht worden genomen.
In de praktijk ervaren wij dat de Belastingdienst inleners (erg) snel aansprakelijk stelt voor belastingschulden van een uitlener. Of het niet betalen van loonbelasting niet aan de uitlener en de inlener is te wijten, wordt bijvoorbeeld niet door de Belastingdienst beoordeeld terwijl in dat geval een aansprakelijkstelling niet geldt.
Ook kan een aansprakelijkstelling niet plaatsvinden vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Zie art. 49, eerste lid IW 1990. Over o.a. dit wetsartikel ging het in een uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch die op 22 juli 2025 gepubliceerd is.
Waar ging het in deze uitspraak om?
Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd aan een inhoudingsplichtige. De naheffingsaanslag wordt echter retour ontvangen met de mededeling “geweigerd”. De betreffende inhoudingsplichtige was immers reeds ontbonden vóórdat de naheffingsaanslag loonheffingen was opgelegd. De naheffingsaanslag blijft daarmee onbetaald. Vervolgens stelt de Belastingdienst een onderzoek in bij de inlener van de ontbonden inhoudingsplichtige naar de mogelijkheden van een aansprakelijkstelling van de inlener.
Op grond van art. 4:104 Awb verjaart de rechtsvordering tot betaling van een geldsom vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken en kan het bestuursorgaan daarna zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen. Op grond van artikel 4:105 en 4:106 Awb kan de verjaring worden gestuit door:
- een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 3:316, lid 1, Burgerlijk Wetboek;
- door erkenning van het recht op betaling;
- een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 Awb;
- een beschikking tot verrekening;
- of een dwangbevel, dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
Ingevolge artikel 4:111, lid 1, Awb wordt de verjaringstermijn verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft. Stuiting betekent dat de lopende verjaring wordt beëindigd of afgebroken, en dat een nieuwe, volle termijn van vijf jaar begint te lopen. Verlenging betekent dat de lopende verjaringstermijn met een bepaalde tijd wordt verlengd.
Art. 27, lid 1, IW 1990 regelt dat de Belastingdienst (meer specifiek, de Ontvanger) de verjaring van een rechtsvordering kan stuiten door een schriftelijke mededeling waarin hij zich ondubbelzinnig het recht op betaling voorbehoudt. Vennootschappen die zijn opgehouden te bestaan kunnen geen uitstel van betaling (meer) vragen en de verjaringstermijn kan ook niet (meer) worden gestuit. Om die reden is in art. 27, lid 2, IW 1990 opgenomen dat, indien een belastingschuldige is opgehouden te bestaan en voor zover voor zijn belastingschuld een aansprakelijkstelling als bedoeld in art. 49, lid 1, IW 1990 heeft plaatsgevonden, de aansprakelijkgestelde voor die belastingschuld in de plaats van de belastingschuldige treedt, voor zover het betreft de stuiting van de verjaring of de verlenging van de verjaringstermijn van de rechtsvordering van betaling. Daardoor kan de stuitende brief aan de aansprakelijkgestelde worden gestuurd.
Het hof oordeelt dat ingevolge art. 49, lid 1, IW 1990 voor aansprakelijkstelling vereist is dat de belastingschuldige ‘in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld’. Doel en strekking van dit vereiste is dat de Belastingdienst eerst de belastingschuldige moet aanspreken voordat een derde aansprakelijk kan worden gesteld. De naheffingsaanslagen loonheffingen zijn in casu echter niet aan de belastingschuldige bekend gemaakt, waardoor de betalingstermijn niet is gaan lopen en de belastingschuldige nooit in gebreke is geweest met het betalen van de belastingschuld. Dit laatste is dus wel vereist om tot aansprakelijkstelling van de inlener over te kunnen gaan.
Wilt u weten hoe u het risico van inlenersaansprakelijkheid kunt beperken? Of bent u aansprakelijk gesteld door de Belastingdienst? Neen dan contact met ons op!
