Geen onbelaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer tijdens coronacrisis bij IKB-keuze na 12 maart 2020

Vanwege het coronavirus zijn werknemers – mede op aandringen van de overheid – in de eerste kwartaal van 2020 tot medio 2022 massaal gaan thuiswerken. Werknemers reisden minder of zelfs helemaal niet meer naar de vaste werkplek. Sommige werkgevers bleven vaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer (door)betalen ondanks dat er minder werd gereisd.

Omdat aanstonds niet duidelijk was hoelang de coronacrisis zou duren, keurde het Ministerie van Financiën –teneinde een administratieve lastenverzwaring te voorkomen  – goed dat reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer ongewijzigd voortgezet konden worden. Deze goedkeuring was opgenomen in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020, welk besluit nadien verschillende keren is geactualiseerd.

Niet duidelijk was of de goedkeuring uit voornoemd besluit ook gold voor reiskostenvergoedingen die gebaseerd zijn op een uitruilregeling of Individueel Keuzebudget (IKB). Het besluit ziet immers alleen op reiskostenvergoedingen waarop de werknemer vóór 13 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht had. Hiervan is sprake als de werkgever en de werknemer vóór die datum zijn overeengekomen dat de werknemer zijn IKB in 2020 uitruilt tegen een onbelaste reiskostenvergoeding. De goedkeuring uit het besluit kon de werkgever ook toepassen als het moment waarop de uitruil gaat plaatsvinden nog niet vaststaat. Over de reikwijdte van deze goedkeuring zijn gerechtelijke procedures gestart.

Op 11 juli 2025 zijn in twee uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over deze kwestie gepubliceerd. Zie hier en hier.

Op basis van een grammaticale interpretatie van besluiten legt het Hof de goedkeuring uit het Besluit van 14 april 2020 aldus uit dat een werkgever een reeds afgesproken en in het jaar 2020 lopende vaste reiskostenvergoeding gedurende de looptijd van het besluit onveranderd onbelast mocht laten doorlopen als het reispatroon van de werknemer door de maatregelen rondom het coronavirus is gewijzigd. De IKB-regeling van belanghebbende in deze procedure biedt werknemers de mogelijkheid om IKB uit te ruilen tegen een onbelaste reiskostenvergoeding. Naar het oordeel van het Hof volgt uit dat enkele aanbod, of zoals belanghebbende stelt dit onvoorwaardelijk recht op IKB, niet dat werkgever en werknemer een onbelaste reiskostenvergoeding hebben afgesproken. Dat wordt niet anders als, zoals bij belanghebbende het geval is, de werknemers in voorgaande jaren daadwerkelijk IKB hebben uitgeruild voor een onbelaste vaste reiskostenvergoeding op basis van de praktische regeling. Die aspecten hebben niet tot gevolg dat in 2020 sprake zou zijn van een doorlopende vaste reiskostenvergoeding. Dat betekent dat van een ongewijzigd doorlopen van een vaste reiskostenvergoeding geen sprake is, voor zover de werknemer in het salarissysteem voor het jaar 2020 nog geen bestedingskeuze voor uitruil na 12 maart 2020 heeft geëffectueerd.

Van lopende reiskostenvergoedingen, waarop de goedkeuring betrekking heeft, is dan ook slechts sprake als die vergoedingen uiterlijk op 12 maart 2020 waren vastgesteld. Slechts voor die zaken was na 12 maart 2020 een oplossing nodig voor de werkgevers die zich in die periode voor de vraag gesteld zagen of zij loonheffing moesten inhouden. In het onderhavige geval werden de vergoedingen pas vastgesteld nadat de werknemers hun keuze daarvoor na 12 maart 2020 kenbaar hadden gemaakt.

Belanghebbende stelt verder dat de Inspecteur in strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Het Hof oordeelt echter dat het vertrouwens-, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel niet zijn geschonden.

Afijn, het Hof stelt de Inspecteur in het gelijk en vernietigt de uitspraken van Rechtbank Noord-Nederland.

Update

Op 25 juli 2025 is een gelijkluidende uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gepubliceerd in een zelfde zaak.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via