Op grond van art.31a, lid 2, onderdeel e, Wet op de loonbelasting 1964 geldt er binnen de werkkostenregeling een gerichte vrijstelling voor extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking (extraterritoriale kosten). De werkelijke extraterritoriale kosten kan de inhoudingsplichtige vergoeden op declaratiebasis, maar deze kosten kunnen ook op forfaitaire basis worden vergoed. Het laatste kan via de zogenoemde bewijsregel (beter bekend onder de naam, 30%-regeling). Deze regeling staat in art. 10ea Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB). Op basis van dit artikel is onder meer vereist dat het moet gaan om een ‘ingekomen werknemer’. In art. 10e, lid 2, onderdeel b, UBLB is een definitie van ‘ingekomen werknemer’ opgenomen.
Op 1 september 2025 is een uitspraak van Rechtbank Noord-Holland gepubliceerd waarin in geschil was of de uit Oekraïne komende verzoeker een ingekomen werknemer is in de zin van de 30%-regeling. Volgens de Belastingdienst heeft verzoeker geen recht op toepassing van de 30%-regeling, omdat hij al in Nederland woonde en werkte bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst en omdat het motief van zijn komst naar Nederland niet gelegen zou zijn in de dienstbetrekking.
Uit de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2006 en 24 oktober 2008 volgt dat bij de beantwoording van de vraag of een werknemer uit een ander land is aangeworven, moet worden beoordeeld of de werkgever met de werknemer een arbeidsovereenkomst is aangegaan op een moment waarop de werknemer zijn woonplaats buiten Nederland had en niet – anders dan in situaties als opleiding of stage – in Nederland werkzaam was. Voor de beantwoording van de vraag of verzoeker als ingekomen werknemer moet worden aangemerkt, moet dus beoordeeld worden of verzoeker reeds in Nederland werkzaam was en in Nederland woonde toen de arbeidsovereenkomst met de werkgever werd gesloten en of – zoals de Belastingdienst stelt – het motief van verzoeker om naar Nederland te komen daarbij van belang is.
De rechtbank oordeelt dat voor de toepassing van de 30%-regeling het motief van de verhuizing naar Nederland niet doorslaggevend is.
De verzoeker was vanuit Nederland als zelfstandige werkzaam voor een Israëlische opdrachtgever. Deze opdracht had verzoeker aangenomen toen hij nog in Oekraïne woonde. Toen verzoeker naar Nederland kwam, heeft hij deze opdracht feitelijk in Nederland verricht. Enkele maanden later is hij voor een Nederlandse werkgever gaan werken. De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of een belastingplichtige ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst in Nederland werkte niet alleen bepalend is of hij op dat moment een arbeidsrelatie had, maar ook of hij als ondernemer in Nederland werkte. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 16 september 2011.
De rechtbank komt tot het oordeel dat verzoeker niet in Nederland werkte toen de arbeidsovereenkomst met de Nederlandse werkgever werd gesloten. Volgens de rechtbank had hij zich op dat moment niet op de Nederlandse arbeidsmarkt begeven.
Maar had verzoeker dan tijdens het aangaan van de arbeidsovereenkomst met de Nederlandse werkgever zijn woonplaats in Nederland? Met inachtneming van de omstandigheden die de Hoge Raad benoemt in zijn arrest van 4 maart 2011 komt de rechtbank tot het oordeel dat verzoeker op het moment van indiensttreding een duurzame band met Nederland had. Daarmee voldoet hij niet aan de voorwaarden voor de 30%-regeling. Het beroep van verzoeker is dus ongegrond.
Vragen over de toepassing van de 30%-regeling? Neem dan contact met ons op.
