Geen verruiming van fiscale vrijwilligersregeling

Wanneer een vergoeding of verstrekking wordt ontvangen in een rechtsverhouding waarin arbeid wordt verricht, dan zal moeten worden beoordeeld of sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Wanneer sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking is immers loonbelasting verschuldigd.

In art. 2, zesde lid, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is bepaald dat niet als een dienstbetrekking wordt aangemerkt de arbeidsrelatie van een ‘vrijwilliger’. Voor deze uitzondering gelden de volgende voorwaarden:

  • De vergoedingen en/of verstrekkingen mogen tezamen niet meer bedragen dan € 210 per maand en € 2.100 per kalenderjaar (2025);
  • De arbeid mag niet bij wijze van beroep worden verricht d.w.z. er mag geen marktconforme vergoeding worden verstrekt. De Belastingdienst vindt een uurvergoeding van maximaal € 5,60 (of € 3,30 voor een persoon jonger dan 21 jaar) als een niet-marktconforme vergoeding (2025);
  • De arbeid wordt verricht voor een ANBI, een sportorganisatie of een niet als zodanig aan te merken lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld.

Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan, hoeft het lichaam geen loonbelasting in te houden op de vergoeding of verstrekking. Ook geldt krachtens art. 22a, tweede lid, onderdeel b, Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 dan geen renseigneringsverplichting.

Voor de inkomstenbelasting worden vergoedingen voor vrijwilligerswerk niet als resultaat uit overige werkzaamheden worden aangemerkt als ze onder de vrijstellingsgrenzen van art. 2, zesde lid, Wet LB blijven. Zie art. 3.96, onderdeel c, Wet inkomstenbelasting 2001. Wanneer een vrijwilliger van meerdere lichamen een vergoeding ontvangt die tezamen meer zijn dan bijvoorbeeld € 2.100 per kalenderjaar dan geldt de vrijstelling voor de inkomstenbelasting dus niet.

Vanuit de Eerste Kamer is een motie ingediend om de grenzen van de vrijwilligersvergoeding te verhogen. In een Kamerbrief van 22 oktober 2025 is staatssecretaris Heijnen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) hierop ingegaan. De staatssecretaris merkt op dat de vrijwilligersregeling een belastingvrije, forfaitaire kostenvergoeding is d.w.z. tot de aan de vrijwilligersregeling gestelde grenswaarden wordt er zonder verdere bewijsvoering vanuit gegaan dat de betaling betrekking heeft op door de vrijwilliger in het kader van zijn vrijwilligerswerk gemaakte kosten. Boven de genoemde grenswaarden is de vrijwilligersregeling in zijn geheel niet van toepassing en dient de vrijwilliger de door hem gemaakte kosten wel aan te tonen met behulp van betalingsbewijzen. Kan hij dat niet, dan vormt het gehele bedrag belast inkomen.

De slotconclusie van de staatssecretaris is dat hij geen reden ziet om de vrijstelling van belastingheffing te verruimen.

Deel dit bericht via