Raadsleden zijn niet in dienst van de gemeente of raadsfracties. Op basis van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers hebben zij wel recht op een vergoeding. Als raadslid val je niet onder de sociale zekerheidswetgeving en heb je dus ook geen recht op een uitkering op basis van de Ziektewet, de WW of de WIA.
Op 14 november 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) een uitspraak gedaan in een zaak waarin een gemeenteraadslid claimde dat hij in een fictieve dienstbetrekking in de zin van art. 5, onderdeel d, Werkloosheidswet (WW) stond. Hij zou daarmee toch recht hebben op een WW-uitkering.
In art. 5, onderdeel d, WW is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld, op grond waarvan eveneens als dienstbetrekking wordt beschouwd de arbeidsverhouding van de persoon die tegen beloning persoonlijk arbeid verricht en wiens arbeidsverhouding niet reeds op grond van dit artikel en de artikelen 3 en 4 van de WW als dienstbetrekking wordt beschouwd, doch hiermee maatschappelijk gelijk kan worden gesteld.
De CRvB oordeelde in voornoemde uitspraak dat de werkzaamheden als gemeenteraadslid maatschappelijk niet kunnen worden gelijkgesteld met een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, WW. Een gemeenteraadslid is een gekozen volksvertegenwoordiger, die zonder last en ruggespraak geheel vrij is invulling te geven aan zijn werkzaamheden voor de gemeenteraad. Steun voor zijn oordeel vindt de CRvB in art. 8, lid 4, WW waarin is bepaald dat het werknemerschap in de zin van de WW eindigt op het moment dat iemand werkzaamheden als politiek ambtsdrager gaat verrichten. Hoewel in deze bepaling niet expliciet wordt gesproken over gemeenteraadsleden acht de CRvB deze bepaling ook op hen van toepassing. De CRvB vindt voor haar oordeel aanwijzing in de memorie van toelichting bij de invoering van art. 8 WW. Het oordeel is dus dat het gemeenteraadslid geen recht heeft op een WW-uitkering.
Het gemeenteraadslid heeft tegen de uitspraak van de CRvB beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 29 augustus 2025 uitspraak gedaan in het cassatieberoep.
De Hoge Raad geeft aan dat het de klachten over de uitspraak van de CRvB heeft beoordeeld en dat de uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad acht het beroep dus ongegrond en en geeft aan niet te hoeven motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen.
Afijn, het gemeenteraadslid heeft nu de bevestiging van het oordeel dat we eigenlijk al wisten.
