De bijzondere omstandigheden als gevolg van de coronacrisis –eerste kwartaal 2020 tot medio 2022- waren destijds voor het kabinet aanleiding voor het treffen van economische en fiscale maatregelen. Fiscale maatregelen waren opgenomen in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020, welk besluit daarna verschillende keren is geactualiseerd.
Eén van de onderwerpen uit het Besluit noodmaatregelen coronacrisis was de goedkeuring om de (onbelaste) reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer ongewijzigd voort te zetten als de werknemer minder of zelfs helemaal niet meer naar de vaste werkplek reisde. Eerder hebben wij bericht over verschillende hofuitspraken over de reikwijdte van deze goedkeuring. In deze procedures ging het om een reiskostenvergoeding in het kader van een uitruilregeling (meer specifiek een Individueel Keuzebudget (IKB)).
Een eerdere uitspraak -dan die van medio 2025- was van Gerechtshof Amsterdam. In deze procedure oordeelde het hof dat belanghebbende redelijkerwijs niet had kunnen menen dat de ná 12 maart 2020 toegekende reiskostenvergoedingen ook onder voornoemde goedkeuring vielen. Tegen deze uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 23 april 2024 is cassatie aangetekend en daarin heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan.
De Hoge Raad merkt in zijn arrest als eerste op dat de goedkeuringen met betrekking tot reiskostenvergoedingen in het Besluit van 14 april 2020 en daarop volgende besluiten alleen zien op het ongewijzigd door laten lopen van vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 waren toegekend.
De Hoge Raad merkt verder op dat het hof terecht betekenis heeft toegekend aan de strekking van de goedkeuring. Die strekking houdt in dat een tegemoetkoming wordt verleend om te voorkomen dat een werkgever een vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet rekenen vanwege een verandering van het reispatroon van werknemers als gevolg van maatregelen rondom de coronacrisis. Een dergelijke noodzaak tot aanpassing kan zich alleen voordoen indien het recht op de reiskostenvergoeding reeds is toegekend op het moment waarop de hier bedoelde coronamaatregelen van kracht werden (op 13 maart 2020). Deze beperkte uitleg is verenigbaar met de bewoordingen van de goedkeuring, waarin staat “dat de werkgever (…) mag blijven uitgaan van de aangenomen feiten waar de vergoeding op gebaseerd is.”
Volgens de Hoge Raad heeft het hof aan deze uitleg van de goedkeuring terecht de slotsom verbonden dat belanghebbende daaraan geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zij geen loonheffingen is verschuldigd over de door haar na 12 maart 2020 toegekende vaste reiskostenvergoedingen. Het beroep van belanghebbende, een gemeente, is dan ook ongegrond.
In een gelijke procedure van een andere gemeente, die ook op 23 januari 2026 door de Hoge Raad ongegrond is verklaard, wordt verwezen naar dit arrest.
Heb je vragen over het vergoeden van reiskosten of deze uitspraak van de Hoge Raad? Neem dan gerust contact met ons op.
