Hoe moet de doelmatigheidsgrens van € 2.400 binnen de WKR worden uitgelegd?

Normaliter wordt loonbelasting bij de werknemer geheven. In specifieke gevallen wordt de loonbelasting van de inhoudingsplichtige geheven in de vorm van een eindheffing. In hoofdstuk V van de Wet LB (meer specifiek, art. 31 tot en met art. 32bd) zijn de situaties benoemd waarin loonbelasting als eindheffing of pseudo-eindheffing wordt geheven.

Eén van de eindheffingsregelingen is de werkkostenregeling (WKR). Om de WKR te mogen toepassing is in art. 31, eerste lid, onderdeel f, Wet LB bepaald dat tot eindheffingsbestanddelen behoren de door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die voldoen aan de gebruikelijkheidseis. Deze gebruikelijkheidseis houdt in dat de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen niet meer dan 30% mogen afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is.

In het Handboek Loonheffingen 2025 (uitgave maart, paragraaf 4.2) is opgenomen dat de Belastingdienst vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van in totaal maximaal € 2.400 per persoon per jaar als gebruikelijk beschouwt. De afwijking van 30% geldt niet voor dit bedrag. De Kennisgroep loonheffing algemeen heeft onlangs een standpunt ingenomen waarin de toepassing van deze doelmatigheidsgrens wordt verduidelijkt.

De Belastingdienst geeft aan dat de doelmatigheidsgrens bedoeld is als veilige haven. De grens geeft aan tot welk bedrag de Belastingdienst geen actie onderneemt. De aanwijzing van vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen van in totaal maximaal € 2.400 als eindheffingsbestanddeel wordt in zoverre als gebruikelijk beschouwd. Daarbij is het goed te weten dat toepassing van de doelmatigheidsgrens (lees: het bedrag van € 2.400) niet aan de orde is voor zover de aanwijzing van een vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling voldoet aan de gebruikelijkheidseis, bijvoorbeeld doordat alle werknemers dezelfde verstrekking ontvangen. In dat geval is immers geen twijfel over de gebruikelijkheid. Bij vergoedingen en verstrekkingen die onder een gerichte vrijstelling vallen, is de gebruikelijkheideis ook niet aan de orde, aangezien het aanwijzen van dergelijke vergoedingen altijd gebruikelijk is.

Kortom, als de aanwijzing voldoet aan de gebruikelijkheidseis of als aan de voorwaarden van een gerichte vrijstelling wordt voldaan, wordt voor de beoordeling of de € 2.400 grens wordt overschreden de betreffende vergoeding en/of verstrekking buiten beschouwing gelaten.

Heeft u vragen over de toepassing van de WKR? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via