Het ter beschikking stellen van een auto aan een werknemer voor de uitvoering van de werkzaamheden is vaak onvermijdelijk. Wanneer de werknemer de ter beschikking gestelde auto mee naar huis mag nemen, beginnen vaak de fiscale problemen.
Een naheffing loonheffingen vanwege het privégebruik van de auto van de zaak bedraagt op kalenderjaarbasis al gauw 15% van de cataloguswaarde van de auto. En dat is nog zonder een boete en belastingrente. Het financieel belang maakt dat het gebruik van de auto van de zaak één van de vier of vijf onderwerpen is die de volle aandacht van de Belastingdienst heeft bij een controle. Zo ook in een zaak die tot een uitspraak van Gerechtshof Amsterdam heeft geleid die op 12 juni 2025 is gepubliceerd.
In deze zaak was aan een werkgever naheffingsaanslagen loonheffingen over meerdere jaren opgelegd vanwege het niet afdragen van loonheffingen ter zake van aan werknemers ter beschikking gestelde auto’s. In eerste aanleg heeft Rechtbank Noord-Holland beslist dat sprake is van een ter beschikking stelling van een auto. De rechtbank overweegt dat een terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis, eerste lid, Wet LB zich voordoet indien een werknemer de feitelijke beschikkingsmacht krijgt over een auto van zijn werkgever. Daarvoor is onvoldoende dat een of meer werknemers een auto slechts besturen ter uitvoering van bepaalde opdrachten van de werkgever om in diens belang personen of goederen te vervoeren. Het ligt op de weg van de Belastingdienst om aannemelijk te maken dat de werkgever de auto ter beschikking heeft gesteld aan werknemer(s). Naar het oordeel van de rechtbank is de Belastingdienst hierin geslaagd. Tussen partijen is niet in geschil dat werknemers van de werkgever over een sleutel van de in het geding zijnde auto’s beschikten, deze bestuurden en deze mee mochten nemen naar hun woonadres ten behoeve van het woon-werkverkeer. Daaruit volgt dat deze werknemers de feitelijke beschikkingsmacht over de auto’s hadden en de auto’s niet uitsluitend werden bestuurd ter uitvoering van specifieke zakelijke opdrachten.
Op grond van artikel 13bis, eerste lid, Wet LB is het vervolgens aan de werkgever om te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt. Ter onderbouwing dat de auto’s niet of niet-bovenmatig privé zijn gebruikt, merkt de werkgever op dat de rittenadministraties voor de desbetreffende auto’s zijn gestolen door een werknemer, dat de werknemers de auto’s op grond van hun arbeidsovereenkomst uitsluitend zakelijk mochten gebruiken en dat de werkgever daarop ook toezicht hield. Overtreding van deze afspraak kon resulteren in een boete of zelfs ontslag. Werknemers waren niet verzekerd voor privégebruik.
Omdat de bewijslast voor het privé-gebruik op de werkgever rust, is het ontbreken van bewijs naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor zijn risico komt. Dat geldt ook indien bewijsmiddelen op enig moment zijn ontvreemd door een werknemer. De werkgever had dit risico kunnen beperken door een kopie van de administratie elders te bewaren. Dat heeft hij niet gedaan. Nu rittenadministraties ontbreken, dient de werkgever anderszins te doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt. Hij mag daarbij gebruikmaken van elk bewijsmiddel dat hem dienstig voorkomt. Uit de overwegingen van de rechtbank wordt duidelijk dat het argument dat het de werknemers niet is toegestaan de hen ter beschikking gestelde auto’s anders dan voor zakelijke doeleinden te gebruiken, onvoldoende is. In het werkelijk gebruik van de auto moet inzicht worden verstrekt.
Nadat de rechtbank het beroep van de werkgever tegen de naheffingsaanslagen ongegrond had verklaard, komt Gerechtshof Amsterdam tot eenzelfde oordeel. In hoger beroep herhaalt de werkgever zijn verklaringen omtrent de gemaakte afspraken met werknemers, de wijze van verzekerd zijn, de in zijn bezit zijnde tweede sleutel en de gestolen rittenadministratie. Net als de rechtbank acht het Hof dit, ook in onderlinge samenhang beschouwd, ontoereikend voor de conclusie dat belanghebbende heeft doen blijken dat de auto’s op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden werden gebruikt.
Weer een werkgever die zijn werknemers tegemoet komt door de auto van de zaak voor woon-werkverkeer mee te geven, maar uiteindelijk daarvoor een gepeperde naheffing ontvangt.
Heeft u een discussie met de Belastingdienst over het gebruik van de auto van de zaak? Of wilt u deze discussie voorkomen? Neem dan gerust contact met ons op.
