Hof ziet in toepassing doorbetaaldloonregeling aanwijzing voor verzekeringsplicht

Op 7 november 2025 is een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gepubliceerd waarbij het ging om de vraag of een bestuurder in privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot een BV waarin hij middellijk een aanmerkelijk belang heeft. Wanneer sprake zou zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking dan zou de bestuurder verplicht verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen, omdat de uitzondering van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 niet van toepassing is nu de bestuurder niet aan de criteria daarvan voldoet.

In eerste aanleg heeft Rechtbank Gelderland eind 2023 geconcludeerd dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking (lees: een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW). Hoewel het Deliveroo-arrest dateert van 24 maart 2023 lijkt de rechtbank de in dat arrest opgesomde gezichtspunten, die van belang kunnen zijn bij de kwalificatie van een overeenkomst, niet na te lopen. De inspecteur van de Belastingdienst is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof begint bij haar overwegingen ter zake de kwalificatie van de rechtsverhouding met de opmerking dat de inhoud van tussen partijen gemaakte afspraken daarbij relevant is, evenals de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Vervolgens benoemt het hof de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest.

De beantwoording van de vraag of sprake was van een dienstbetrekking werd in casu bemoeilijkt doordat schriftelijke overeenkomsten, zoals een arbeidsovereenkomst en managementovereenkomsten, tussen betrokkenen ontbreken. Wat betreft de inhoud van de gemaakte afspraken en de uitvoering die partijen daaraan hebben gegeven, moet het hof zich dan ook grotendeels verlaten op hetgeen partijen daarover hebben opgemerkt en andere stukken in het dossier.

Doordat tussen partijen niet in geschil is dat de doorbetaaldloonregeling kon worden toegepast op het loon heeft het hof (mede) dit aspect aangegrepen om te concluderen dat sprake was van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de betreffende bestuurder. In de overwegingen lezen we echter niets terug over de mogelijkheid dat de doorbetaaldloonregeling weleens toegepast kan zijn op basis van de wetsfictie van art. 2h UBLB 1965. Deze wetsfictie geldt echter niet voor de werknemersverzekeringen (WW, WIA en ZW).

De toepassing van de doorbetaaldloonregeling als haakje om te komen tot een dienstbetrekking en daarmee verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen is dan ook erg fragiel.

Heb je vragen naar aanleiding van dit nieuwsbericht, neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via