Het pakket Belastingplan 2026, dat uit acht afzonderlijke wetsvoorstellen bestaat, is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer. Eén van de wetsvoorstellen is de Wet Belastingplan 2026. Ook over dit wetsvoorstel zijn vanuit de Kamerfracties vragen gesteld. Namens het kabinet heeft staatssecretaris Heijnen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) deze vragen onlangs schriftelijk beantwoord. Hierna hebben wij een aantal interessante antwoorden samengevat.
Wat houdt de pseudo-eindheffing voor niet volledig emissievrije personenauto’s in?
Voor een niet volledig emissievrije personenauto die na 31 december 2026 ook voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld aan een werknemer – waarbij woon-werkverkeer als privégebruik wordt aangemerkt – gaat vanaf 2027, als het aan het kabinet ligt, een pseudo-eindheffing van 12% gelden. Dat de auto feitelijk niet privé wordt gebruikt, voorkomt de pseudo-eindheffing niet. De pseudo-eindheffing geldt niet voor bestelauto’s en ook niet voor personenauto’s die uitsluitend in het kader van de bedrijfsvoering worden gebruikt.
Mocht het voorstel voor de pseudo-eindheffing worden aangenomen, dan is het meer dan gewenst om vast te leggen dat de fossiele personenauto niet voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteld en alleen zakelijk (niet zijnde woon-werkverkeer) mag wordt gebruikt.
In het voorstel voor de pseudo-eindheffing is een overgangstermijn ingebouwd, waarbij vanaf 2027 de pseudo eindheffing eerst alleen voor nieuwe gevallen geldt en vanaf 17 september 2030 ook voor bestaande gevallen.
Verschuldigd bij privégebruik in de betreffende maand
De verschuldigde eindheffing kan ineens na afloop van het jaar afgedragen worden maar ook per loonaangiftetijdvak. De pseudo-eindheffing vindt plaats over de gehele kalendermaand als de fossiele personenauto in die betreffende maand privé is gebruikt. Dit is ook het geval als de fossiele auto in die betreffende maand slechts een dag privé is gebruikt.
De pseudo-eindheffing wordt gekoppeld aan de fossiele personenauto en het feit dat deze in een kalendermaand ter beschikking is gesteld. Het is voor de heffing niet van belang aan welke werknemer de personenauto ter beschikking is gesteld en of deze werknemer de hele kalendermaand al in dienst is bij de werkgever. Bij fossiele poolauto’s, die steeds door verschillende werknemers worden gebruikt, zal dus steeds over de gehele kalendermaand pseudo-eindheffing verschuldigd zijn.
Verhalen van de pseudo-eindheffing
De staatssecretaris geeft aan dat het niet is toegestaan om de pseudo-eindheffing direct of indirect te verhalen op de werknemer. Als een werkgever dat wel doet, is dat een handeling in strijd met de wet. Wij zijn benieuwd wat bedoeld wordt met ‘indirect te verhalen’. Bij sommige meerkeuzesystemen arbeidsvoorwaarden wordt immers de 80%-eindheffing die verschuldigd is vanwege de overschrijding van de vrije ruimte verhaald door een hogere uitruil van de werknemer te verlangen. De Belastingdienst lijkt deze uitruil toe te staan. Wat is dan wel ‘indirect verhalen’ van een (pseudo) eindheffing?
Pseudo-eindheffing heeft geen directe relatie met het loonbegrip
Het kabinet erkent dat met de voorgestelde pseudo-eindheffing de Wet LB 1964 wordt ingezet voor beleidsdoelen die geen directe relatie hebben met het loonbegrip. Deze optie om de klimaatdoelen te behalen, blijkt de voorkeursoptie van het kabinet. Kortom, een heffing die eigenlijk niet thuishoort in de loonbelasting.
Geen woon-werkverkeer
Rijden in een elektrische auto wordt voor autorijles aangemerkt als rijden in een automaat. Dit leidt ook op voor een ander rijbewijs. Meer specifiek, een rijbewijs B met code 78. Je mag met dit rijbewijs dan alleen in een automaat rijden. Rijschoolhouders zijn hierdoor genoodzaakt om hun werknemers in een fossiele personenauto te laten rijden. De staatssecretaris maakt bij een vraag over de financiële lasten voor rijscholen een interessante opmerking ter zake van woon-werkverkeer. Hij merkt op dat als een rijinstructeur aan het einde van zijn werkdag vanuit een klant naar huis rijdt en de volgende morgen vanuit huis naar weer naar een klant rijdt, dat dan geen sprake is van woon-werkverkeer. Het kabinet verwacht hierdoor dat rijschoolhouders niet te maken hoeven te krijgen met de pseudo-eindheffing, tenzij ze besluiten om de lesauto ook voor privégebruik in te zetten. Om die reden heeft het kabinet niet nodig geacht om een vrijstelling in het voorstel op te nemen voor lesauto’s.
Versobering youngtimerregeling?
De bijtelling vanwege het privégebruik van een auto van de zaak kent een afwijkende regeling voor youngtimers, te weten 35% van de waarde in het economisch verkeer in plaats van 22% van de cataloguswaarde. Van een youngtimer is sprake als de auto 15 jaar of ouder is. Bij de voorgestelde pseudo-eindheffing is sprake van een youngtimer als de auto 25 jaar of ouder is. De staatssecretaris lijkt te zinspelen op een versobering in de youngtimerregeling voor de bijtelling door een aanpassing van de leeftijdsgrens in de youngtimerregeling van 15 naar 25 jaar. Deze versobering kunnen we waarschijnlijk verwachting in het Belastingplan 2027.
Bij vragen over de fiscale regels rondom ter beschikking gestelde auto’s kan altijd contact met ons worden opgenomen.
