In een nieuwsbericht van de Kamer van Koophandel (KvK) van 15 juli 2025 wordt opgemerkt dat het aantal starters dat koos voor de rechtsvorm besloten vennootschap (BV) in Q2 van 2025 opnieuw is gestegen. Een mogelijke oorzaak hiervan zou zijn de handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst.
De KvK merkt in hetzelfde nieuwsbericht op dat het pertinent niet waar is dat met een BV risico’s aangaande schijnzelfstandigheid omzeild kunnen worden. Volgens de KvK gelden dezelfde beoordelingscriteria voor een eenmanszaak en een BV, zo mag er bijvoorbeeld ook bij een BV geen gezagsverhouding zijn tussen de opdrachtgever en de zelfstandige.
Anders dan de KvK stelt, is het risico op schijnzelfstandigheid bij werken vanuit een BV naar onze mening wel degelijk kleiner. Wanneer vanuit een BV wordt gewerkt, zal de Belastingdienst immers eerst moeten bewijzen dat de BV geen realiteitswaarde heeft. Vervolgens zal de Belastingdienst moeten bewijzen dat de arbeidsverhouding – anders dat partijen menen – toch als een arbeidsovereenkomst kwalificeert.
Wij willen in dit verband wijzen op voetnoot 81 op blz. 39 van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Daar staat de volgende tekst:
‘Dat betekent ook dat als gecontracteerd wordt met een rechtspersoon, zoals een directeur-grootaandeelhouder (DGA) die zich vanuit een BV laat inhuren, er in beginsel geen arbeidsovereenkomst met de opdrachtgever ontstaat. Er is gecontracteerd met de rechtspersoon en niet met de werkende in persoon. Tenzij de rechtspersoon geen realiteitswaarde heeft (“wezen gaat voor schijn”). In dat geval kan wel een arbeidsovereenkomst ontstaan. Bijvoorbeeld, omdat een rechtspersoon enkel en alleen is opgericht om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen, of om te zorgen dat opdrachtgevers geen loonheffingen hoeven af te dragen. In dit soort gevallen wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake van een rechtspersoon is. De arbeidsrelatie ontstaat dan niet met de rechtspersoon, maar met de persoon die de opdracht uitvoert. Zie bijvoorbeeld het arrest HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 (Thuiszorg Rotterdam/PGGM).’
Voordat aan de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt toegekomen, zal dus eerst moeten worden vastgesteld of de BV realiteitswaarde heeft. Dit is in feite de vraag of de BV voor het arbeidsrecht en/of de belastingheffing zelfstandige betekenis mist en vereenzelvigd moet worden met de DGA, zodat deze laatste voor (loon)betalingen als werknemer dient te gelden.
Heeft u vragen over de risico’s van schijnzelfstandigheid? Of wilt u weten hoe de realiteitswaarde van een BV kan worden vastgesteld? Neem dan gerust contact met ons op.
