Bijlage G van de cao Universitair Medische Centra 2024-2025 bepaalt dat coassistenten (studenten van de opleiding geneeskunde) recht hebben op een vergoeding van € 120,- (bruto) per maand gedurende de periode dat zij coschappen lopen in een UMC. Voor zover de van overheidswege verstrekte ov-jaarkaart niet gebruikt kan worden voor de dag en/of tijdstip van reizen, kunnen coassistenten ook reiskosten vergoed krijgen.
Afgelopen week is er een onderhandelingsakkoord bereikt over een nieuwe cao voor UMC -personeel. Deze nieuwe cao moet gaan gelden van 1 januari 2026 tot 1 januari 2028. Het onderhandelingsresultaat vermeldt dat de onkostenvergoeding voor coassistenten per 1 juli 2026 wordt verhoogd van € 120,- naar € 300,- per maand. Een stijging die weleens tot een andere fiscale kwalificatie kan leiden.
Art. 7.2.10 van de cao Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen 2025-2027 bepaalt dat coassistenten recht hebben op een stagevergoeding van € 150,- per maand en aanvullend onkosten, zoals studiekosten, kunnen declareren tot een maximum van € 150,- per maand. De stagevergoeding wordt vanaf 1 januari 2027 jaarlijks geïndexeerd.
Op 29 januari 2026 is het standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen gepubliceerd over de vergoedingen die een coassistent ontvangt. Bij het kwalificeren van de arbeidsrelaties met de coassistent heeft de Belastingdienst als uitgangspunt genomen dat de arbeidsrelatie niet is aan te merken als een dienstbetrekking in de zin van art. 2 Wet LB. Dit uitgangspunt lijkt gebaseerd te zijn op de veronderstelling dat de arbeidsverhouding primair is ingegeven door coassistenten de mogelijkheid te bieden om hun eigen kennis uit te breiden en ervaring op te doen. De vraag of sprake is van een beloning lijkt daarbij niet (meer) relevant. Zeker in relatie van de coassistent met een ziekenhuis zou een beloning te onderkennen zijn. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 maart 2013 immers geoordeeld dat om te toetsen of sprake is van een loonbetalingsverplichting, als onderdeel van de dienstbetrekking, de hoogte van het loon niet relevant is. Alleen indien louter sprake is van een kostenvergoeding is in civielrechtelijke zin geen sprake van loon. Een coassistent van een ziekenhuis lijkt meer te ontvangen dan de werkelijke kosten die opkomen door het verrichten van werkzaamheden.
De vraag is of de arbeidsrelatie van een coassistent is aan te merken als een fictieve dienstbetrekking in de zin van art. 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB. Zo ja, kan de vrijwilligersregeling van art. 2, zesde lid, Wet LB dan de inhoudingsplicht voorkomen?
De Belastingdienst neemt het standpunt in dat de arbeidsrelatie tussen een UMC en een coassistent die, uitsluitend recht heeft op een kostenvergoeding niet kwalificeert als fictieve dienstbetrekking. Coassistenten bij een UMC hebben alleen recht op een vergoeding ter tegemoetkoming van de studiekosten. De vergoeding is gericht vrijgesteld op grond van ar. 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB. Het wettelijk collegegeld voor een universiteit voor het studiejaar 2025-2026 bedraagt € 2.601,-. De vergoeding die coassistenten momenteel ontvangen is dus sowieso minder dan het collegegeld. Echter, door de stijging per 1 juli 2026 van het bedrag dat coassistenten bij UMC’s ontvangen, is het nog maar de vraag of de vergoeding dan minder bedraagt dan de studiekosten. Zo nee. dan kwalificeert de arbeidsrelatie als een fictieve dienstbetrekking in de zin van art. 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB.
Coassistenten bij een ziekenhuis hebben recht op een vergoeding ter tegemoetkoming van de studiekosten én een stagevergoeding. Omdat de stagevergoeding een tegemoetkoming is in kosten van levensonderhoud en niet ziet op het vergoeden van werkelijke kosten, genieten deze coassistenten een beloning in de zin van art. 3, eerste lid, onderdeel e, Wet LB. Hun arbeidsrelatie 1964 kwalificeert daarmee als een fictieve dienstbetrekking. Het ziekenhuis kan ter grootte van de werkelijke studiekosten wel de gerichte vrijstelling van art. 31a, tweede lid, onderdeel d, Wet LB toepassen.
Wanneer een arbeidsrelatie kwalificeert als een (fictieve) dienstbetrekking dan kan de inhoudingsplicht toch achterwege blijven als de arbeidsrelatie aan de voorwaarden voldoet van de vrijwilligersregeling van art. 2, zesde lid, Wet LB. Deze voorwaarden zijn onder meer dat de vergoedingen en verstrekkingen tezamen geen gezamenlijke waarde mogen hebben van meer dan € 220 per maand en € 2.200 per kalenderjaar (2026).
De arbeidsrelatie van een coassistent bij een UMC zou vanaf 1 juli 2026 (ook) weleens als een fictieve dienstbetrekking kunnen kwalificeren. De toepassing van de vrijwilligersregeling zou dan inhoudingsplicht kunnen voorkomen. Echter, de bedragen die de coassistenten, zowel van een ziekenhuis als een UMC, vanaf 1 juli 2026 ontvangen overstijgen voornoemde normbedragen.
De inhoudingsplicht voor vergoedingen aan coassistenten dreigt dus voor zover die niet al bestaat.
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht of wil je weten wat dit voor jouw organisatie betekent? Neem dan contact met ons op!
