Maximale 30%-vergoeding bij wisseling van werkgever

Binnen de werkkostenregeling bestaat een gerichte vrijstelling voor extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst, die in het kader van de dienstbetrekking worden gemaakt (extraterritoriale kosten). Deze vrijstelling is opgenomen in art. 31a, lid 2, onderdeel e, Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

Krachtens art. 31a, lid 8, Wet LB kunnen extraterritoriale kosten op declaratiebasis of op basis van de 30%-regeling worden vergoed. Bij de toepassing van de 30%-regeling wordt per werknemer, naast de vergoeding of verstrekking van schoolgelden, ten hoogste een bedrag aan vergoedingen en verstrekkingen in aanmerking genomen van 30% van het bedrag van de maximale bezoldiging in de zin van art. 2.3 van de Wet normering topinkomens (hierna: WNT). De WNT-norm bedraagt voor 2025  € 246.000.

Hoe moet de aftopping op de WNT-norm worden vastgesteld als de werknemer gedurende het kalenderjaar van werkgever wisselt? Over deze vraag heeft een kennisgroep van de Belastingdienst op 30 juli 2025 een standpunt ingenomen.

Volgens de Belastingdienst dient de WNT-norm per inhoudingsplichtige te worden herleid op basis van het aantal loontijdvakken dat de 30%-regeling bij de betreffende inhoudingsplichtige wordt toegepast. Dit betekent dat wanneer de werknemer één maand in dienst is, maar de 30%-regeling twee maanden wordt toegepast vanwege een nabetaling, de WNT-norm berekend wordt op basis van twee maanden indien het loontijdvak een maand is.

Voorbeeld. Als inhoudingsplichtige A de 30%-regeling toepast in de loontijdvakken januari en februari, geldt bij inhoudingsplichtige A als maximale 30%-vergoeding 2/12 van 30% van de WNT-norm. Als inhoudingsplichtige B de 30%-regeling toepast over de loontijdvakken februari tot en met december, geldt bij inhoudingsplichtige B als maximale 30%-vergoeding 11/12 van 30% van de WNT-norm.

Op basis van de toelichting in de wetsgeschiedenis concludeert de kennisgroep dat de wetgever heeft geaccepteerd dat in bepaalde situaties de in totaal op jaarbasis aan een werknemer toegekende 30%-vergoeding meer bedraagt dan 30% van de WNT-norm. De wetgever heeft daarbij eigenlijk de situatie voor ogen gehad dat een werknemer bij meerdere inhoudingsplichtigen tegelijk (in deeltijd) werkzaam is. Ook in dat geval geldt de aftopping van de 30%-vergoeding op 30% van de WNT-norm per inhoudingsplichtige en kan in theorie de werknemer in totaal een hogere 30%-vergoeding ontvangen dan 30% van de WNT-jaarnorm.

In artikel 31a, achtste lid, laatste volzin, Wet LB  is een delegatiegrondslag opgenomen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik bij verbonden werkgevers. Hoewel dit oneigenlijk gebruik niet nader is toegelicht, lijkt de wetgever niet te doelen op een wisseling van werkgever zoals in voornoemde casus maar met name het oog te hebben gehad op situaties waarbij een dienstbetrekking, al dan niet kunstmatig, wordt gesplitst over meerdere gelieerde inhoudingsplichtigen met als doel meerdere keren gebruik te maken van de maximale vergoeding. Deze delegatiegrondslag is tot op heden nog niet ingevuld. Het dubbel in aanmerking nemen van het loontijdvak februari bij de tijdsgelange herleiding van de jaarnorm in voornoemde casus zou gezien het incidentele karakter passen bij hetgeen de wetgever voor ogen heeft gehad.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht of anderszins over de 30%-regeling? Neem dan contact met ons op.

Deel dit bericht via