Op 19 maart 2025 heeft minister Agema van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) schriftelijk gereageerd op vragen vanuit de vaste commissie voor VWS over de transformatie van medisch specialisten die werkzaam zijn in medisch specialistische bedrijven (msb’s) naar werken in loondienst. In haar reactie geeft de minister aan dat zij zich richt op twee parallelle sporen: wetgeving gericht op het normeren van het inkomen van medisch specialisten en een overgang van medisch specialisten naar loondienst. Bij het normeren en maximeren van de verdiensten van medisch specialisten wordt gekeken hoe de overheid de bezoldiging van topfunctionarissen in de Wet normering topinkomens (WNT) heeft begrensd. Dit zou dan nieuwe wetgeving betreffen, buiten de WNT, specifiek gericht op de beroepsgroep van medisch specialisten.
In de Kamerbrief worden drie alternatieven genoemd die worden verkend om de overgang naar medisch specialisten in loondienst te realiseren:
- Vrijwillige collectieve overstap
- Verplichten van loondienst
- Verplichting voor alleen nieuwe specialisten
Bij de verkenning om tot wetgeving te komen, kan niet voorbijgegaan worden aan de fiscaliteit. Bij de Kamerbrief is gevoegd een bijlage met de uitkomsten van de verkenning over de rol van het fiscaal ondernemerschap bij de vormgeving van de samenwerking tussen een ziekenhuis en msb’s. Op duidelijke wijze wordt in deze bijlage het ontstaan van msb’s geschetst en het fiscale toetsingskader voor het ondernemerschap. De conclusie in de bijlage is dat het niet mogelijk is om een objectieve grens te bepalen waarbij vastgesteld kan worden tot hoe ver de bestuurlijke en financiële samenwerking tussen msb’s en ziekenhuizen mag gaan zonder dat die samenwerking consequenties heeft voor de fiscale positie van medisch specialisten die als ondernemer voor de inkomstenbelasting participeren in een fiscaal transparant msb. De holistische beoordeling zorgt ervoor dat iedere situatie op zichzelf moet worden beoordeeld.
Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien (Deliveroo–arrest, rov. 3.2.5). De Hoge Raad heeft in het Deliveroo–arrest van 24 maart 2023 tussen de genoemde omstandigheden die onder meer van belang kunnen zijn, geen rangorde aangebracht. In het Uber-arrest van 21 februari 2025 heeft de Hoge Raad aangegeven dat ook de omstandigheid “of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt”, niet als zodanig van ander gewicht is dan de andere genoemde omstandigheden. De opmerking in de bijlage bij de Kamerbrief dat als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor ondernemerschap voor de inkomstenbelasting in beginsel sprake zal zijn van loon uit dienstbetrekking, is tegen deze achtergrond te kort door de bocht.
De discussie of een medisch specialist als zelfstandige werkt of in loondienst zal zeker vaker gevoerd gaan worden. Bekend is bijvoorbeeld de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 juli 2024 waarin een waarnemend intensivist een arbeidsovereenkomst claimde. Nu het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 is opgeheven, zal ook de Belastingdienst zich (meer) in de discussie mengen of de arbeidsrelatie tussen de medisch specialist en de zorginstelling als een dienstbetrekking kwalificeert.
Waar de Minister van VWS alternatieven verkent om de overgang naar medisch specialisten in loondienst te realiseren, zou de jurisprudentie en het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) en het initiatiefwetsvoorstel Zelfstandigenwet hier weleens de keuze voor de minister kunnen maken.
Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan gerust contact met ons op.
