Minister beantwoordt vragen over het rechtsvermoeden uit wetsvoorstel Vbar

Onlangs hebben wij verricht dat het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) wordt gesplitst. Het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Vbar wordt – als het aan het kabinet ligt – geschrapt omdat dit deel van de wetgeving voor teveel onrust zou zorgen. Het kabinet wil wel vaart maken met het deel van het wetsvoorstel Vbar waarmee laagbetaalde zzp’ers makkelijker hun rechtspositie kunnen opeisen. Het gaat om zzp’ers die tot 38 euro per uur (peildatum 1 januari 2026) verdienen.

Ten aanzien van het oorspronkelijke wetsvoorstel stonden veel Kamervragen open. Op 19 maart 2026 heeft minister Aartsen van Werk en Participatie deze vragen beantwoord in een Nota naar aanleiding van het verslag. Vanwege het vervallen van het verduidelijkingsonderdeel zijn de vragen die daarop zien niet meegenomen in de beantwoording. De verdere behandeling van het wetsvoorstel ziet immers alleen op het onderdeel waarmee een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief wordt voorgesteld.

Hoewel de antwoorden op de Kamervragen weinig nieuwigheden  bevatten, is het wel goed op sommige antwoorden te vermelden.

Alleen procesrechtelijke positie

Er wordt herhaald dat het rechtsvermoeden de werkende ondersteunt in diens procesrechtelijke positie, en dat de toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst plaats blijft vinden op basis van de wettelijke regels in art. 7:610 BW. Als opdrachtgevers ervoor kiezen om een uurloon te betalen dat hoger ligt dan het uurtarief voor het rechtsvermoeden, wordt daarmee niet voorkomen dat er in voorkomende gevallen sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid.

Alleen civielrechtelijke werking

Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend civielrechtelijke werking. Omdat het gaat om een puur civielrechtelijk rechtsvermoeden, geldt het rechtsvermoeden uitsluitend tussen werkende en werkgevende. Het rechtsvermoeden werkt niet (publiekrechtelijk) door naar de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving en de fiscaliteit. Dit betekent dat de Belastingdienst niet toetst aan het rechtsvermoeden. De Belastingdienst houdt zijn eigen onderzoeksplicht.

Tarief rechtsvermoeden in 2027

Op basis van het verwachte minimumloon per 1 januari 2027 en 1 juli 2027 zou het uurtarief voor het rechtsvermoeden uitkomen in 2027 op € 39,00 respectievelijk € 40,00.

Onmiddellijke werking

Het wetsvoorstel Vbar kent onmiddellijke werking. De onmiddellijke werking betekent dat werkenden met ingang van de inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel een beroep op het rechtsvermoeden kunnen doen. Dit geldt ook voor arbeidsrelaties die zijn aangegaan voor de inwerkingtredingsdatum, maar op of na de inwerkingtredingsdatum nog bestaan. Of daadwerkelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt op dat moment getoetst aan art. 7:610 BW zoals dat op dat moment luidt. Indien blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan geldt dit voor de volledige duur van deze arbeidsrelatie.

Verschil met 7:610a BW

Een belangrijk verschil tussen het bestaande rechtsvermoeden uit art. 7:610a BW en het voorgestelde rechtsvermoeden op basis van een uurtarief is dat het uurtarief veelal bij aanvang van de werkzaamheden bekend is, zodat de arbeidsrelatie niet reeds aangevangen dient te zijn (en minimaal 3 maanden moet hebben geduurd) alvorens duidelijk is of op het rechtsvermoeden een beroep gedaan kan worden. Hiermee wordt naar verwachting het potentieel van het preventieve effect van het voorgestelde rechtsvermoeden ten opzichte van het rechtsvermoeden in artikel 7:610a BW vergroot.

Uitzondering particuliere opdrachtgevers

Het rechtsvermoeden is niet van toepassing ten opzichte van particuliere opdrachtgevers. Verdere uitzonderingen zijn wat de regering betreft niet nodig.

BV-constructie als oplossing is een mythe

Sinds de opheffing van het handhavingsmoratorium is door verschillende partijen ten onrechte gesuggereerd dat schijnzelfstandigheid voorkomen kan worden door het oprichten van een BV. De minister geeft aan dat dat niet klopt, omdat als het ware door deze constructie heen wordt gekeken als de rechtspersoon geen realiteitswaarde heeft, c.q. als de BV enkel wordt tussengeschoven voor het ontwijken van wet- en regelgeving. De minister geeft aan dat de regering veel aandacht besteedt aan het ontkrachten van deze ‘mythes’.

Wkkgz en kwalificatie arbeidsrelatie

De zorgwetgeving, waaronder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), heeft niet tot doel duidelijkheid te verschaffen over de kwalificatie van arbeidsrelaties in de zorg. De Wkkgz is gericht op het waarborgen van de kwaliteit van de zorg en de positie van de patiënt. De Wkkgz kan wel inkleuring geven aan de feiten en omstandigheden die de aard van deze arbeidsrelatie bepalen, bijvoorbeeld via de inhoud van de schriftelijke afspraken die door een zorgaanbieder met zorgverleners of opdrachtnemers die (een deel van die) zorg verlenen, moeten worden gemaakt.

Publicatie in Staatsblad  uiterlijk op 31 augustus 2026

De minister geeft aan dat de Wet Vbar uiterlijk op 31 augustus 2026 in het Staatsblad gepubliceerd dient te zijn om aanspraak te kunnen maken op betalingen vanuit het Europese Herstel- en Veerkrachtplan (HVP). Indien HVP-mijlpalen niet tijdig worden behaald, zal dit leiden tot een forse korting  oplopend tot € 600 miljoen per niet-behaalde mijlpaal. De HVP-mijlpaal ziet op het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Vbar. Om een financiële korting te proberen te voorkomen, is het kabinet in gesprek met de Europese Commissie over aanpassing van deze mijlpaal. Uit deze gesprekken zou blijken dat hiervoor in ieder geval noodzakelijk is dat het onderdeel rechtsvermoeden uiterlijk 31 augustus 2026 is gepubliceerd in het Staatsblad.

De minister lijkt de betalingen vanuit het Europese HVP aan te grijpen om het gesplitste wetsvoorstel Vbar vóór 1 september 2026 in het Staatsblad gepubliceerd (beter gezegd, door beide Kamers geloodst) te krijgen. Gezien hetgeen overgebleven is van het oorspronkelijke wetsvoorstel zou dat haalbaar moeten zijn. Veel bezwaren tegen het nieuwe rechtsvermoeden lijken er immers niet te zijn.

Voor de volledigheid merken wij op dat minister Aartsen op 19 maart 2026 in de Tweede Kamer kenbaar heeft gemaakt dat hij hoopt dat mogelijk per 1 januari  2027 het wetsvoorstel inzake het rechtsvermoeden in kan gaan. (p. 66 van Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026). De publicatie in het Staatsblad zou dan vier maanden eerder zijn. Eventuele nadelen van de onmiddellijke werking zouden daarmee enigszins kunnen worden weggenomen.

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht of over bijvoorbeeld het kwalificeren van arbeidsrelaties? Neem dan  contact met ons op.

Deel dit bericht via