Ondanks dat B.V. contractspartij was toch sprake van dienstbetrekking

Op 20 oktober 2025 is een lezenswaardige uitspraak van Rechtbank Midden-Nederland over schijnzelfstandigheid gepubliceerd die wij om een aantal redenen graag delen.

In deze zaak had een organisatie van accountants en belastingadviseurs met ingang van 1 januari 2025 een overeenkomst van opdracht gesloten met de B.V. van een registeraccountant. Op 20 mei 2025 heeft het kantoor de overeenkomst alweer opgezegd, terwijl de oorspronkelijke intentie was om jaren samen te werken. In reactie daarop stelde de registeraccountant dat de overeenkomst als een arbeidsovereenkomst kwalificeert en dat de opzegging onregelmatig is. Hij berust in het ontslag maar maakt aanspraak op betaling van een gefixeerde schadevergoeding, transitievergoeding en een billijke vergoeding.

De kantonrechter merkt, zoals gebruikelijk, op dat de beoordeling of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, twee fasen kent:

  1. Aan de hand van de Haviltexmaatstaf moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. In deze fase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen.
  2. Beoordeeld moet worden of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst als arbeidsovereenkomst aan te merken. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Bij deze beoordeling moet een holistische weging worden gemaakt van alle relevante feiten en omstandigheden en (contra-)indicatoren. Daarbij kan onder meer naar de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 worden gekeken.

De kantonrechter loopt de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest na en geeft aan dat onder meer de volgende aspecten wijzen op een arbeidsovereenkomst:

  • Het werk van de accountant betreft kernactiviteiten van de organisatie.
  • De intentie was om op fulltime-basis gedurende minimaal vijf jaar samen te werken.
  • De accountant moest minimaal drie dagen per week op kantoor zijn.
  • De accountant moest zich houden aan interne regels, zoals het urenschrijven.
  • Vervanging was niet toegestaan.
  • De accountant ontving een vaste beloning en een vaste autokostenvergoeding. Deze autokostenvergoeding is in gelijke hoogte als de B.V. van de accountant verschuldigd was aan de leasemaatschappij.
  • Het aanbod van werk bepaalde niet de hoogte van de beloning. De accountant liep geen enkel commercieel risico.
  • Gedurende de duur van de werkzaamheden kon de accountants zich niet presenteren als ondernemer. Hij heeft slechts een incidentele opdracht elders gedaan.

Schijnzelfstandigheid ondanks B.V. als contractspartij

De kantonrechter merkt (terecht) op dat het feit dat partijen (doelbewust) een constructie hebben opgezet waarbij niet de accountant maar zijn B.V. als contractspartij is aangeduid en zij ook op die wijze de facturering hebben laten verlopen, niet in de weg staat om de overeenkomst te kwalificeren als arbeidsovereenkomst. Duidelijk is namelijk dat die constructie enkel vanuit fiscaal aantrekkelijk oogpunt is aangegaan en partijen zich er ook van bewust waren dat in werkelijkheid sprake zou kunnen zijn van een arbeidsovereenkomst. Deze constatering maakt dat de B.V. in feite geen realiteitswaarde heeft. Oftewel, ondanks dat de B.V. de contractspartij is, is toch sprake van schijnzelfstandigheid.

Wat is de hoogte van het loon?

De kantonrechter merkt op dat bij een overeenkomst van opdracht de beloning vaak hoger ligt omdat de werkende geen ontslagbescherming heeft, geen recht op loondoorbetaling bij ziekte en overige aanspraken die werknemers hebben, niet van toepassing zijn. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om bij de vaststelling van de hoogte van het loon uit te gaan van het overeengekomen bedrag in het kader van de overeenkomst van opdracht.

Nu er geen loon is overeengekomen, geldt op grond van art. 7:618 BW een gebruikelijk en bij gebreke daarvan een billijk loon. Partijen lijken elkaar te vinden in een bruto maandloon van € 10.367,75 (inclusief 8% vakantietoeslag en een dertiende maand).

De slotsom is dat de kantonrechter de accountant in het gelijk stelt en het accountants en belastingadvieskantoor veroordeelt tot betaling van:

  • een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto;
  • een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 31.103,25 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • een transitievergoeding van € 1.436,02 bruto;
  • de proceskosten van € 1.681,00.

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan contact met ons op.

Deel dit bericht via