Onvolledige berichtgeving over naheffing vanwege schijnzelfstandigheid bij afhandelen toeslagenaffaire

Redenen om gebruik te maken van de diensten van zzp’ers zijn o.a. het gemis aan specifieke expertise en het feit dat het kortdurende werkzaamheden betreft. Ook ministeries maakten tot voor kort op grote schaal gebruik van de diensten van zzp’ers, bijvoorbeeld bij de afwikkeling van de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen.

Binnen het ministerie van Financiën waren veel zzp’ers werkzaam bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT). In 2024 gaf toenmalig staatssecretaris Idsinga (Financiën) aan dat op bijna alle afdelingen van het ministerie de inzet van zzp’ers wordt afgebouwd, met uitzondering van de UHT. In de media werd al snel gesproken van schijnzelfstandigen die voor de UHT mochten blijven werken.

Staatssecretaris Palmen (Herstel en Toeslagen) heeft op 17 maart 2025 Kamervragen over schijnzelfstandigheid bij de UHT beantwoord. In deze antwoorden wordt onder meer opgemerkt dat vanwege de druk op de hersteloperatie het volledig afbouwen in 2024 van de inhuur van potentieel schijnzelfstandigen niet mogelijk was. Oftewel, potentiële schijnzelfstandigen zouden ook in 2025 werkzaam zijn voor de UHT. Vanwege het aflopen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 zou dat betekenen dat brokers -via wiens tussenkomst de (schijn)zelfstandigen werkzaam zijn bij de UHT- een naheffingsrisico lopen.

Om de voortgang van de afwikkeling te waarborgen, heeft Dienst Toeslagen op 15 november 2024 de brokers het aanbod gedaan om de kosten van naheffingsaanslagen premies werknemersverzekeringen en boetes van brokers over te nemen, voor zover deze het gevolg zijn van de inzet van zelfstandigen bij de herstelorganisatie die achteraf als schijnzelfstandige zijn aangemerkt. Dit aanbod is herhaald op 3 december 2024 maar toen met het nadrukkelijke verzoek aan de brokers de fiscale compliance – indien nodig – te bespreken met de eigen belastinginspecteur. Hierna heeft contact tussen het ministerie van Financiën als belastingplichtige en de belastinginspecteur geleid tot het voortschrijdende inzicht over hoe met genoemd dilemma om te gaan. Het contact met de belastinginspecteur heeft bij Dienst Toeslagen geleid tot een heroverweging van de ingeslagen weg met als gevolg dat begin februari 2025 besloten is tot de intrekking van de eerder gedane toezegging. Bij brief van 10 februari 2025 is voor bestaande contracten met brokers waarin de toezegging tot compensatie was gedaan, deze toezegging ingetrokken met ingang van 1 april 2025.

In de media verschenen op 15 april 2026 berichten dat de zzp’ers die betrokken waren bij de afhandeling van de toeslagenaffaire mogelijk geconfronteerd kunnen worden met naheffingen en dat compensatie onzeker zou zijn. Het kabinet zou een belofte breken. Zie hier, hier en hier.

Deze berichtgeving lijkt op stemmingmakerij en is op zijn minst onvolledig. In de Kamerbrief van 17 maart 2025 heeft staatssecretaris Palmen immers reeds aangegeven dat de door de UHT gedane toezegging aan brokers om hen te compenseren voor de kosten van naheffingsaanslagen premies werknemersverzekeringen en boetes met ingang van uiterlijk 1 april 2025 wordt ingetrokken.

Mocht de arbeidsrelatie van een zzp’er en een broker achteraf als een (fictieve) dienstbetrekking kwalificeren dan zijn loonheffingen verschuldigd. Loonheffingen bestaan uit door de werknemer verschuldigde loonheffing (loonbelasting en premie volksverzekeringen), die door de werkgever moet worden afgedragen, en werkgeverspremies die bestaan uit de bijdrage Zorgverzekeringswet en premies werknemersverzekeringen. Aan de broker was dus een toezegging gedaan voor de premies werknemersverzekeringen zij het dat die is ingetrokken. Aan zzp’ers lijkt nooit een toezegging te zijn gedaan en dat lijkt ook logisch.

Over inkomsten uit arbeid moet belasting worden betaald: loonbelasting en/of inkomstenbelasting. Of de arbeid wordt verricht als werknemer of zzp’er in beide situaties is de werkende de belasting verschuldigd. Als een zzp’er kwalificeert als ondernemer voor de inkomstenbelasting dan kan hij gebruik maken van verschillende fiscale regelingen. Wanneer de arbeidsrelatie met de broker achteraf als een (fictieve) dienstbetrekking blijkt te kwalificeren, kan het recht op deze fiscale regelingen komen te vervallen. Hierin zit het (fiscaal) risico voor de zzp’er. De broker loopt het risico van de werkgeverspremies.

Als in de media wordt gesproken dat de betrokken (schijn)zelfstandigen geconfronteerd kunnen worden met een naheffing die kan oplopen tot wel 10.000 euro dan zou dat dus het vervallen van de fiscale regelingen in de inkomstenbelasting moeten betreffen. Het lijkt ons dat de UHT daarvoor geen compensatie heeft willen geven, omdat dat recht (ook) afhangt van werkzaamheden buiten de UHT. De berichtgeving lijkt echter -gezien de hoogte van de genoemde bedragen-  te (moeten) zien op een broker die met een naheffing loonheffingen wordt geconfronteerd. Hij wordt niet (meer) gecompenseerd.

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht of ben je ook geconfronteerd met een naheffing? Neem dan contact met ons op.

Deel dit bericht via