Pensioenpremies vooralsnog niet belast met btw

Op 24 oktober 2025 zijn twee uitspraken van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gepubliceerd over de diensten van een (bedrijfstak)pensioenfond en de verschuldigdheid van btw. Het hof heeft in deze uitspraken beslist dat de uitvoering van een pensioenregeling één dienst is die niet kwalificeert als een voor de btw-vrijgestelde verzekeringsdienst. Dit heeft tot gevolg dat het pensioenfonds recht heeft op aftrek van voorbelasting, en dat de volledige pensioenpremie belast is met btw. Zie hier en hier voor beide uitspraken.

Op 12 november 2025 heeft de Staatssecretaris van Financiën kenbaar gemaakt dat hij deze uitspraken niet overneemt als uitgangspunt voor de belastbaarheid van pensioenpremies. Mede omdat deze uitspraken tegengesteld zijn aan de uitspraak van Hof Amsterdam van 23 februari 2023 met betrekking tot eenzelfde situatie. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Zolang de Hoge Raad in die zaak geen uitspraak heeft gedaan, blijft het uitgangspunt voor de Belastingdienst dat de pensioenuitvoering als één btw-vrijgestelde dienst moet worden aangemerkt, overeenkomstig de uitspraak van Hof Amsterdam.

In de publicatie van de staatssecretaris wordt de rechtsoverweging 5.18 van Hof Amsterdam geciteerd:

“Onder die omstandigheden is het oordeel gerechtvaardigd dat belanghebbende, ook al is zij geen verzekeraar, prestaties verricht die de wezenlijke kenmerken hebben van een handeling ter zake van verzekering als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel k, Wet OB, welke bepaling is gebaseerd op artikel 135, lid 1, onderdeel a, Btw-richtlijn. Dit oordeel vindt ook steun in de wetsgeschiedenis van de Pensioenwet, waarin ervan uit wordt gegaan dat de uitvoeringsovereenkomst een verzekeringsovereenkomst is.  Zo wordt in de memorie van toelichting bij die wet opgemerkt: ‘Bij pensioenen op grond van dit wetsvoorstel is altijd sprake van verzekeren’ en ‘Aangezien uitvoeringsovereenkomsten niets anders zijn [dan] verzekeringsovereenkomsten (…)’. Ook het gegeven dat artikel 5 Pensioenwet een regeling omtrent de samenloop van een uitvoerings- en verzekeringsovereenkomst geeft, onderstreept dat de wetgever van de Pensioenwet uitging van het karakter van een verzekeringsovereenkomst. In de memorie van toelichting bij de Invoeringswet titel 7.17 en titel 7.18 Burgerlijk Wetboek is er eveneens van uitgegaan dat ‘ook de uitvoering door een (beroeps)pensioenfonds gezien (moet) worden als het uitvoeren van verzekeringsovereenkomsten waardoor titel 7.17 en 7.18 [van het Burgerlijk Wetboek, genaamd ‘Verzekering’ respectievelijk ‘Lijfrente’] van toepassing zijn’.”

De staatssecretaris merkt op dat voor pensioenfondsen die het standpunt van de Belastingdienst (blijven) toepassen, er geen verplichting is om btw over de pensioenpremie te berekenen.

De situatie die nu bestaat, is niet veel anders dan voor voornoemde uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden: het is wachten op de Hoge Raad. Mocht de Hoge Raad beslissen dat sprake is van btw-belastbaarheid van pensioenpremies, dan zal de Belastingdienst dit standpunt overnemen, en -mede afhankelijk van afspraken die met pensioenfondsen zijn gemaakt- over het verleden (willen) naheffen.

Om meer inzicht te krijgen in de mogelijke financiële consequenties is het met name voor instellingen die in rekening gebrachte btw niet als voorbelasting in aftrek kunnen brengen goed om in contact te treden met hun pensioenfonds en om uitleg vragen.

Mocht je meer willen weten over dit onderwerp of vragen hebben naar aanleiding van dit bericht, neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via