Rechtbank vernietigt fiscale boete die is opgelegd aan ex-bestuurder FC Twente

Een boete van de Belastingdienst is een bestuurlijke sanctie in de zin van art. 5.1 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) maar ook in bepaalde fiscale wetten, zoals de Wet op de loonbelasting 1964, is bepaald voor welke overtredingen en aan wie een bestuurlijke boete kan worden opgelegd bij de overtreding van fiscale regels of verplichtingen.

De fiscaliteit kent twee soorten bestuurlijke boetes:

  1. Verzuimboeten (art. 67a e.v. Awr)
  2. Vergrijpboeten (art 67cc Awr)

In art. 67o, lid 1, Awr is bepaald wie als ‘overtreder’ wordt verstaan: de doen pleger, de uitlokker en de medeplichtige. Een verzuimboete kan niet worden opgelegd aan een medeplichtige (lid 2).

Onlangs heeft Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een zaak waarin de Belastingdienst aan een ex-bestuurder van voetbalclub FC Twente een vergrijpboete had opgelegd wegens het feitelijk leiding geven aan het opzettelijk geen of te weinig afdragen van loonheffingen door de voetbalclub.

Uit een boekenonderzoek bij de voetbalclub zou zijn gebleken dat bij bepaalde transfers te weinig loonheffingen zou zijn afgedragen door de voetbalclub. De Belastingdienst stelt dat het aan opzet, althans voorwaardelijk opzet, van de voetbalclub is te wijten dat te weinig loonheffingen is afgedragen en dat dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de Belastingdienst een vergrijpboete als bedoeld in art. 67f Awr kan opleggen. En zo geschiedde. Aan de ex-bestuurder is een boetebeschikking gegeven.

In de overwegingen of deze boetebeschikkingen terecht is opgelegd, schetst de rechtbank het toetsingskader voor de beantwoording van de vraag of een verdachte boeterechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de Belastingdienst niet heeft doen blijken (dat wil zeggen: overtuigend aangetoond) dat de ex-bestuurder bij de eerste transfer actief en effectief gedrag heeft vertoond dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven valt, welke bijdrage bovendien zodanig is geweest dat deze heeft geleid tot de verboden gedragingen. De door de Belastingdienst gestelde handelingen bij de tweede transfer zijn ontoereikend om aan te nemen dat de ex-bestuurder feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, te weten het niet juist en volledig betalen van loonheffingen.

De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en de boetebeschikking.

De ex-bestuurder heeft verzocht om een integrale vergoeding van proceskosten. De rechtbank heeft deze vergoeding niet toegekend, omdat niet gebleken is dat sprake was van een tegen-beter-weten-in handelen, noch van vergaand onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst.

Heeft u ook een discussie met de Belastingdienst over een bestuurlijke boete? Of heeft u vragen hierover? Neem dan contact met ons op.

Deel dit bericht via