Schijnzelfstandigen en pensioenopbouw

Minister Van Hijum (SZW) heeft op 9 juli 2025 de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de gesprekken met sociale partners en de Pensioenfederatie over het vraagstuk van schijnzelfstandigen in relatie tot pensioenopbouw en premie-inleg.

Het principe  ‘’geen premie, wel recht’ is één van de solidariteitskenmerken van ons pensioenstelsel en houdt kort gezegd in dat door een werknemer pensioenaanspraken worden opgebouwd, ook als de werkgever hiervoor geen premie heeft afgedragen aan het pensioenfonds. Dit solidariteitsprincipe speelt ook bij schijnzelfstandigheid. Wanneer achteraf blijkt dat een zelfstandige in een arbeidsrelatie volgens het arbeidsrecht kwalificeert als werknemer, horen daar ook de rechten en plichten van een werknemer bij vanaf het moment dat hier sprake van is. Het pensioenfonds zal zich dan moeten inspannen om de niet-betaalde pensioenpremie te verhalen op de werkgever. Deze werkgever kan vervolgens het werknemersdeel van de premie mogelijk weer op de schijnzelfstandige verhalen. Het is echter denkbaar dat het pensioenfonds de verschuldigde pensioenpremie niet (meer) kan verhalen op de werkgever, bijvoorbeeld omdat de werkgever niet meer bestaat of vanwege verjaring van de premievordering. In dat geval komen de kosten van eventuele pensioenaanspraken van schijnzelfstandigen voor rekening van het fondscollectief. Pensioenaanspraken verjaren immers niet.

Een schijnzelfstandige heeft een bewijslast wanneer hij meent recht te hebben op pensioenaanspraken. De schijnzelfstandige zal moeten aantonen dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst in plaats van werk als zelfstandige. In dat verband kan het pensioenfonds (aanvullend) bewijs van de schijnzelfstandige vragen, zoals gestuurde facturen, aangifte inkomstenbelasting en de onderliggende overeenkomst.

Op dit moment zijn er geen signalen dat er op grote schaal claims door schijnzelfstandigen bij pensioenfondsen worden neergelegd. Het is echter niet uitgesloten dat veel schijnzelfstandigen zich pas (veel) later bij het pensioenfonds zullen melden, bijvoorbeeld bij pensioenleeftijd. Dit kan consequenties hebben voor het fondscollectief, omdat pensioenaanspraken niet verjaren, en het– naarmate het dienstverband langer geleden plaats had – moeilijker zal zijn voor het pensioenfonds om premie nog te verhalen op de werkgever.

Het principe ‘geen premie, wel recht’ is niet onbegrensd. In uitzonderlijke omstandigheden, waaronder in ieder geval (maar niet limitatief) boze opzet en vrijwillige voortzetting, geldt het principe ‘geen premie, wel recht’ niet. Ook als een schijnzelfstandige bewust de keuze heeft gemaakt om – in weerwil van het arbeidsrecht – als zelfstandige het werk te verrichten. In dat geval heeft de schijnzelfstandige net als bij de genoemde uitzonderlijke omstandigheden een duidelijke eigen rol in het niet betalen van de pensioenpremie.

Het lijkt niet toegestaan dat pensioenfondsen in hun reglementen algemene uitzonderingsbedingen opnemen om zo de opbouw van pensioenaanspraken door schijnzelfstandigen op grond van ‘geen premie, wel recht’ te beperken. Wil een dergelijke bepaling houdbaar zijn, zal hiervoor moeten gelden dat de schijnzelfstandige zich ervan bewust was, of in ieder geval had moeten zijn, dat hij of zij zelf voor het pensioen moest .zorgdragen.

In de Kamerbrief wordt gerefereerd aan de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). In de Memorie van Toelichting, die op 7 juli 2025 is gepubliceerd, staat op blz.114 e.v. een reactie van de Pensioenfederatie waarin ook wordt ingegaan op het beginsel ‘geen premie, wel recht’ bij schijnzelfstandigen.

Belangrijk voor nu is om de ontwikkelingen ten aanzien van claims van schijnzelfstandigen op pensioenaanspraken nauwlettend in de gaten te houden.

Heeft u vragen naar aanleiding van het bericht? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via