Op 1 mei 2026 is het 10 jaar gelden dat Verklaring arbeidsrelatie (VAR) werd afgeschaft. De VAR was een beschikking van de Belastingdienst die aangaf hoe de inkomsten van de aanvrager van de VAR kwalificeren voor de inkomstenbelasting en loonheffingen. De VAR bood zowel de opdrachtnemer als opdrachtgever duidelijkheid over de fiscale kwalificatie van hun arbeidsrelatie als zij met elkaar zouden contracteren. Er waren meerdere soorten VAR-verklaringen. Wanneer de Belastingdienst later terug wilde komen op een eerder door hem afgegeven VAR, dan had hij te bewijzen dat de eerder afgegeven VAR ten onrechte was afgegeven.
De Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (Wet DBA) is in feite de wet die verschillende andere wetten heeft gewijzigd vanwege het afschaffen van de VAR per 1 mei 2016. In de Wet DBA staat verder niets. Degenen die graag aan de Wet DBA refereren als de wet die verplichtingen oplegt, raad ik aan om eens kennis te nemen van de inhoud van de Wet DBA. Hier een link naar de wettekst.
Door het afschaffen van de VAR is er een situatie ontstaan waarin opdrachtgever en opdrachtnemer op basis van eigen kennis hun arbeidsrelatie (fiscaal) moeten kwalificeren. Volgens een meerderheid in de Tweede Kamer en Eerste Kamer zou deze beoordeling te moeilijk zijn en hebben zij vanaf 2016 erop aangedrongen dat de Belastingdienst de Wet op de loonbelasting 1964 niet handhaaft op het punt van het kwalificeren van arbeidsrelaties. Dit handhavingsmoratorium heeft tot 1 januari 2025 geduurd.
Het opheffen van het handhavingsmoratorium -ten aanzien van werkzaamheden die op en na 1 januari 2025 worden verricht- betekent dat de Belastingdienst weer looncorrecties kan opleggen wanneer hij van mening is dat een arbeidsrelatie ten onechte niet als een (fictieve) dienstbetrekking is aangemerkt. Vóór 1 januari 2025 kon dat alleen als partijen zogeheten kwaadwillend waren. Ter zake van werkzaamheden in 2025 en 2026 geldt wel een afwijkend regime voor wat betreft het opleggen van boetes bij de looncorrecties.
Om de beoordeling van arbeidsrelaties te vergemakkelijken heeft het vorige kabinet op 4 juli 2025 het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet Vbar) naar de Tweede Kamer gestuurd. Zoals de naam van het wetsvoorstel suggereert, bestaat het wetsvoorstel uit twee delen:
- een verduidelijking van hoe beoordeeld moet worden of een arbeidsrelatie kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW);
- een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst (7:610aa BW).
Normaliter geldt dat degene die stelt moet bewijzen. De werkende die stelt dat hij in een dienstbetrekking tot de opdrachtgever staat of heeft gestaan, heeft dus de bewijslast. Bij een rechtsvermoeden is dat anders. Bij een rechtsvermoeden heeft de opdrachtgever de bewijslast om aan te tonen dat geen sprake was van een dienstbetrekking (lees: arbeidsovereenkomst) als de werkende een dienstbetrekking claimt. In het kader van de Wet Vbar zou er een nieuw rechtsvermoeden ontstaan – waarop de werkende zich zou kunnen beroepen en waarbij de opdrachtgever dus het tegenbewijs moet leveren – wanneer de werkende voor minder dan € 38,00 per uur (peildatum 1 januari 2026) zou werken. Anders dan op social media veel wordt gesuggereerd, is er bij het werken onder € 38,00 per uur geen sprake van een dienstbetrekking noch is bij een uurvergoeding boven dit tarief sprake van zelfstandigheid. Voor deze beoordeling gelden de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest!
Toen het vorige kabinet bezig was met het opstellen van het wetsvoorstel Vbar zijn er enkele Kamerleden met een alternatief wetsvoorstel gekomen: de initiatiefwet Zelfstandigenwet. Eén van de initiatiefnemers van deze wet is Thierry Aartsen. Twee weken na zijn start als Minister van Werk en Participatie heeft Thierry Aartsen van de mogelijkheid gebruik gemaakt om het wetsvoorstel Vbar open te breken en alleen nog verder te gaan met de R van rechtsvermoeden. Hiermee wordt ook de weg vrijgemaakt voor de Zelfstandigenwet. Gaat dit wetsvoorstel daadwerkelijk voor meer duidelijkheid zorgen dan de Vbar of is het prestige?
Gezien het controversiële karakter van dit onderwerp is het niet de verwachting dat er vóór 1 januari 2027 iets wezenlijks verandert. De praktijk zal het dus moeten (blijven) doen met de huidige wettekst van art. 7:610 BW en de uitleg van de Hoge Raad in de jurisprudentie, zoals in de zaken van Deliveroo en Uber, over wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst. Eigenlijk verkeren we in dezelfde situatie als afgelopen 10 jaar maar dan zonder handhavingsmoratorium. Nog steeds onduidelijkheid en geen zicht dat er binnen afzienbare tijd wat verandert.
Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht of over bijvoorbeeld het kwalificeren van arbeidsrelaties? Neem dan contact met ons op.
