Standpunt Belastingdienst over de toepassing van de zorgvrijstelling bij een coöperatie

De Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen van de Belastingdienst heeft op 3 april 2025 een vraag beantwoord of de zorgvrijstelling van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, ten eerste, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet VpB) kan worden toegepast door Coöperatie X, welke coöperatie natuurlijke personen als leden heeft.

De casus is als volgt:

Coöperatie X heeft als doel het verlenen van huisartsenspoedzorg in een bepaalde regio. De leden van de coöperatie zijn allen huisartsen die de betreffende spoedzorg verzorgen. De coöperatie heeft triagisten in dienst die de huisartsen assisteren. De coöperatie wenst van de vennootschapsbelasting te worden vrijgesteld op grond van art. 5, lid 1, onderdeel c, ten eerste, Wet VpB. Nadere voorwaarden voor deze vrijstelling zijn opgenomen in art. 4 Uitv.besl. VpB 1971 en het besluit van de staatssecretaris van 25 november 2019, nr. 2019/18775. De voorwaarden zijn te onderscheiden in voorwaarden die zien op de aard en omvang van de door het lichaam verrichte activiteiten (de werkzaamhedeneis) en de voorwaarden die worden gesteld aan de inrichting van het lichaam (winstbestemmingseis). Dit geheel aan regelgeving wordt (hierna) aangeduid als de zorgvrijstelling.

Vraag:

Kan door Coöperatie X, een coöperatie met natuurlijke personen als leden, de zorgvrijstelling worden toegepast?

Antwoord:

Nee. De zorgvrijstelling is niet van toepassing op Coöperatie X. Doordat de leden van deze coöperatie direct of indirect bestaan uit natuurlijke personen kan niet worden voldaan aan de winstbestemmingseis. Aan de kennisgroep is uitsluitend de vraag voorgelegd of Coöperatie X voldoet aan de winstbestemmingseis. De kennisgroep heeft daarom niet beoordeeld of door Coöperatie X wordt voldaan aan de voorwaarden van de werkzaamhedentoets.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht, neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via