Standpunt Belastingdienst over genietingsmoment outplacementtraject bij beëindigingsovereenkomst

Op 31 oktober 2025 is het standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen gepubliceerd over het genietingsmoment van een outplacementtraject bij een beëindigingsovereenkomst.

Het genietingsmoment bij een outplacementtraject is in eerste instantie afhankelijk van de vraag of sprake is van een ‘recht op loon’ (loonvordering) of van ‘loon in de vorm van een recht’ (een loonrecht, waaronder aanspraken).

Een ‘recht op loon’ is pas vorderbaar als aan de voorwaarden is voldaan die aan de loonvordering verbonden zijn. Voorbeelden van een recht op loon zijn het maandelijkse salaris en de opbouw van vakantiebijslag. Een recht op loon (in geld of in natura) wordt niet zelfstandig in de heffing betrokken.

Een loonrecht (‘loon in de vorm van een recht’) is daarentegen inhoudelijk volledig bepaald en onvoorwaardelijk (aanstonds of na een bepaalde vaste termijn). Het loonrecht vormt zelfstandig een beloning voor de werknemer. Een voorbeeld van loon in de vorm van een recht is een calloptie waarbij de werknemer de mogelijkheid heeft om een nader overeengekomen goed gedurende een bepaalde termijn voor een bepaalde prijs te kopen.

Wanneer er voorwaarden verbonden zijn aan een vergoeding of verstrekking, zoals dat je uitdienst moet zijn getreden om in aanmerking te komen voor de vergoeding of verstrekking, dan spreken we van recht op loon.

Conform artikel 13a, eerste lid, Wet LB 1964 geniet de werknemer het recht op loon (loonvordering) niet eerder dan het moment van betaling van de kosten van het outplacementtraject. Voorafgaand aan dat moment was het recht op loon in casu niet vorderbaar en tevens inbaar. Er was immers niet aan alle voorwaarden voldaan. De loonheffingen zijn op het genietingsmoment verschuldigd. In de voorbeelden van dit standpunt is dat het betaalmoment.

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via