Standpunt Belastingdienst over teamuitjes is discutabel

Vóór de invoering van de werkkostenregeling was in art. 15b, eerste lid, onderdeel ha, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) in samenhang met art. 32a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bepaald dat personeelsfestiviteiten een vrije verstrekking waren indien zij openstaan voor tenminste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.

Binnen de werkkostenregeling bestaat echter geen algemene gerichte vrijstelling voor een personeelsfestiviteit. Per verstrekking en/of vergoeding zal beoordeeld moeten worden of een gerichte vrijstelling toegepast kan worden dan wel een bijzondere waardering van toepassing is. Denk aan de gerichte vrijstelling of bijzondere waardering voor maaltijden en de gerichte vrijstelling voor reiskosten.

De Belastingdienst heeft een handreiking gepubliceerd waarin hij zijn standpunt weergeeft over de toepassing van gerichte vrijstellingen bij teamuitjes. De Belastingdienst maakt daarbij het onderscheid naar karakter van het teamuitje:

  • Overwegend zakelijk (zoals studiedag)
  • Overwegend consumptief (zoals paintballen)
  • Sociaal en maatschappelijk (zoals bezoek aan zorgboerderij)
  • Splitsbaar uitje (zoals studiedag met aansluitend feest)

De Belastingdienst stelt dat ingeval als het consumptieve karakter overheerst de vergoeding voor reiskosten en de verstrekking van een maaltijd belast loon is. Ook de activiteit vormt belast loon. Ik ben het met dit standpunt niet eens.

In de Memorie van Antwoord op het Belastingplan 2015 heeft de Staatssecretaris van Financiën op Kamervragen het volgende geantwoord:

‘De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de fiscale behandeling van reis- en verblijfkosten in het kader van bedrijfsuitjes. In de situatie dat een bedrijfsuitje in het kader van de dienstbetrekking plaatsvindt, is voor de reis- en verblijfkosten de gerichte vrijstelling voor reiskosten respectievelijk die voor verblijfkosten van toepassing. Voor zover de activiteiten op en rond het uitje in overwegende mate een consumptief karakter dragen is sprake van een personeelsfestiviteit. De kosten die hiermee samenhangen kunnen als eindheffingbestanddeel aangewezen worden. Een dergelijk uitje kan fiscaal gesplitst worden in een deel dat betrekking heeft op reis- en verblijfkosten die geacht wordt plaats te vinden in het kader van een dienstbetrekking en een deel dat geacht wordt betrekking te hebben op een festiviteit. De omstandigheden van het geval zijn bepalend of een dergelijke «knip» aangebracht kan worden. De invulling van het programma en de tijdsbesteding zijn daarbij richtinggevend.’

De staatssecretaris lijkt aan te geven dat wanneer een bedrijfsuitje in het kader van de dienstbetrekking plaatsvindt altijd de gerichte vrijstelling voor reis- en verblijfskosten kan worden toegepast. Heeft zo’n uitje, dat dus in het kader van de dienstbetrekking plaatsvindt, een in overwegende mate consumptief karakter dan moeten van reis- en verblijfskosten onderscheiden worden de kosten van de festiviteit. Laatstgenoemde kosten kunnen dan desgewenst als eindheffingsloon ten laste van de vrije ruimte worden gebracht.

Wanneer de werkgever dus zorgdraagt voor vervoer naar een teamuitje met een overwegend consumptief karakter dan zou dat in de visie van de Belastingdienst niet kwalificeren voor de gerichte vrijstelling. Naar mijn mening zijn dit zakelijke kosten; kosten die worden gemaakt ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. En daarmee zijn het kosten die in het kader van de dienstbetrekking worden gemaakt, zoals art. 31a, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, Wet LB voorschrijven voor toepassing van de gerichte vrijstelling voor reiskosten en maaltijden.

Heeft u vragen over de werkkostenregeling of hoe personeelsfestiviteiten fiscaal moeten worden behandeld? Of heeft u hierover een discussie met de Belastingdienst? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via