Standpunt Belastingdienst ten aanzien van doorbetaaldloonregeling in AB-verhoudingen

Voor de arbeidsverhouding die kwalificeert als een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW wordt voor de loonbelasting in art. 2 Wet LB de terminologie ‘privaatrechtelijke dienstbetrekking’ gebruikt. In de Wet LB is bepaald dat ook loonbelasting verschuldigd kan zijn bij arbeidsverhoudingen die niet kwalificeren als een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit zijn de zogenoemde fictieve dienstbetrekkingen. Een uitbreiding dus van de arbeidsverhoudingen waarbij loonbelasting is verschuldigd.

Eén van de fictieve dienstbetrekkingen is de arbeidsverhouding van degene, die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang (AB) heeft in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001. Deze fictieve dienstbetrekking is nader uitgewerkt in art. 2h Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB).

Voor de werknemersverzekeringen gelden bijzondere regels voor de verzekeringsplicht van degene die een AB heeft. Waarschijnlijk door deze bijzondere regels lijkt voornoemde fictieve dienstbetrekking onvoldoende bekend.

Door de fictieve dienstbetrekking van art. 2h UBLB kan de situatie ontstaan dat er twee dienstbetrekkingen voor de loonbelasting ontstaan voor de AB-houder: een dienstbetrekking met de holding (hoofdbetrekking) waarvan hij alle aandelen heeft en een (fictieve) dienstbetrekking met de dochtervennootschap (nevenbetrekking) waarvoor hij -al dan niet op basis van een overeenkomst tussen deze twee lichamen- arbeid verricht. De doorbetaaldloonregeling van art. 32d Wet LB biedt dan de mogelijkheid om met inachtneming van voorwaarden de inhoudingsplicht voor de loonbelasting te verleggen naar bijvoorbeeld de holding, zodat niet beide lichamen aangifte loonheffing hoeven te doen.

De Kennisgroep loonheffing algemeen heeft op 14 januari 2026 een standpunt ingenomen over de voorwaarden waaronder de doorbetaaldloonregeling in AB-verhoudingen mag worden toegepast.

Casus

X (natuurlijk persoon) houdt een 100%-belang in een bv. De bv heeft een 100%-belang in vier dochtervennootschappen. X heeft een AB in de bv en de dochtervennootschappen. X verricht voor al deze vennootschappen werkzaamheden. X heeft voor deze werkzaamheden geen overeenkomsten afgesloten (noch op persoonlijke titel noch namens de bv). X heeft ook geen beloningen bedongen dan wel ontvangen voor de betreffende werkzaamheden. De gebruikelijk loonregeling van art. 12a Wet LB is ten onrechte niet toegepast.

Vraag

Kan de doorbetaaldloonregeling (nog) worden toegepast als geen sprake is geweest van (feitelijk) genoten loon in de zin van art. 10 Wet LB?

Antwoord

Ja, met als gevolg dat op grond van artikel 12a, derde lid, Wet LB de gebruikelijkloonregeling op holdingniveau kan worden toegepast.

De Belastingdienst stelt dat art. 12a, eerste lid, Wet LB erop duidt dat ‘per lichaam’ het gebruikelijk loon dient te worden vastgesteld. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat het niet de bedoeling is dat een AB-houder met concernvennootschappen bij iedere concernvennootschap een gebruikelijk loon dient op te nemen.

Gelet op het bovenstaande wordt bij de toepassing van de doorbetaaldloonregeling onder loon (en het afdragen daarvan) mede begrepen fictief loon (in de zin van art. 12a Wet LB). Dit betekent dat als de gebruikelijkloonregeling van toepassing is bij de dochtervennootschap de doorbetaaldloonregeling van toepassing kan zijn, als sprake is van fictief loon op grond van art. 12a Wet LB. Dit heeft tot gevolg dat de gebruikelijkloonregeling op concernniveau in casu alsnog kan worden toegepast (art. 12a, derde lid, Wet LB).

Heb je vragen naar aanleiding van dit nieuwsbericht, neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via