Standpunt over bekostiging uit publieke middelen voor onderwijsvrijstelling vennootschapsbelasting

Krachtens art. 6b, eerste lid, onderdeel b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) zijn lichamen vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend onderwijs geven of onderzoek verrichten, mits dat onderwijs, onderscheidenlijk dat onderzoek, hoofdzakelijk wordt bekostigd uit:

  1. publieke middelen;
  2. wettelijk collegegeld of instellingscollegegeld als bedoeld in hoofdstuk 7, titel 3, paragraaf 2, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  3. lesgelden als bedoeld in artikel 3 van de Les- en cursusgeldwet;
  4. buitenlandse bijdragen die naar aard en strekking overeenkomen met de bijdragen, bedoeld onder 2° of 3°;
  5. verplichte ouderbijdragen voor het volgen van onderwijs aan een afdeling als bedoeld in artikel 85a van de Wet op het primair onderwijs of voor het volgen van cursussen als bedoeld in artikel 4.28 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of
  6. bijdragen van algemeen nut beogende instellingen waarvoor geen contractuele tegenprestatie wordt gevraagd.

De Belastingdienst (meer specifiek, de Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen) heeft op 25 juli 2025 zijn standpunt gepubliceerd op de vraag of bepaalde gelden die door een stichting worden ontvangen, kunnen worden aangemerkt als bekostiging uit publieke middelen als bedoeld in art. 6b, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb (oftewel, onderdeel 1).

Achtergrond

Stichting X verricht onderwijsactiviteiten zoals bedoeld in artikel 6b, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb.  Stichting X wordt voor haar activiteiten betaald door de onderwijsinstellingen waarvoor zij werkzaam is. Deze onderwijsinstellingen worden bekostigd uit publieke middelen, zoals bedoeld in voornoemd artikel. De vraag is of bij Stichting X wordt voldaan aan de  in art. 6b, eerste lid, onderdeel b, Wet Vpb beschreven bekostigingseis.

Standpunt

De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat de door Stichting X ontvangen gelden niet kunnen worden aangemerkt als bekostiging uit publieke middelen. De gelden worden namelijk ontvangen van onderwijsinstellingen en worden ontvangen als tegenprestatie voor door Stichting X verrichte activiteiten voor de onderwijsinstellingen. De gelden zijn daarmee niet afkomstig uit publieke middelen.

Volgens de Belastingdienst impliceert de term ‘bekostiging’ de afwezigheid van een (contractuele) tegenprestatie. Van bekostiging is derhalve alleen sprake als het gaat om financiering, in casu van onderwijs, zonder dat sprake is van een (contractuele) tegenprestatie jegens de financier. Op het moment dat ten aanzien van onderwijs sprake is van een (contractuele) tegenprestatie jegens de financier, zoals in de vraagstelling, wordt een dienst verricht waarvoor een betaling, niet zijnde bekostiging, plaatsvindt.

Uit het standpunt van de Belastingdienst blijkt eens te meer dat het belangrijk is om bij het toepassen van de onderwijsvrijstelling de herkomst van de bekostiging duidelijk in kaart te hebben.

Wilt u meer weten over de onderwijsvrijstelling of een andere vrijstellingen in de Wet Vpb? Neem dan contact met ons op.

Deel dit bericht via