Standpunten Kennisgroep ter zake toepassing van belastingverdrag Nederland-België

De Kennisgroep IBR IB niet-winst/LB/PH aanslag heeft onlangs een standpunt ingenomen over het lerarenartikel in het belastingverdrag Nederland – België. De vraag ziet op een zelfstandige die als docent werkt voor een Nederlandse onderwijsinstelling en vervolgens na twee jaar in dienst treedt als docent bij dezelfde onderwijsinstelling.

De vraag is of artikel 20, eerste lid, van het verdrag Nederland – België 2001 (hierna: het Verdrag) van toepassing is op de docentwerkzaamheden als zelfstandige? Of dat dit artikel eerst bij de indiensttreding van toepassing is?

De Kennisgroep is van mening dat artikel 20, eerste lid, Verdrag (ook) van toepassing is bij het verrichten van docentwerkzaamheden als zelfstandige. Bij indiensttreding als werknemer start geen nieuwe tweejaarstermijn.

De Kennisgroep geeft ook aan dat er geen rangorde- of voorrangsregel bestaat tussen artikel 14 (zelfstandige beroepen) en artikel 20 (leraren en studenten) van het verdrag, zodat in principe beide artikelen van toepassing zijn. De Kennisgroep is van mening dat verdragsluitende partijen met artikel 20 een lex specialis (bijzondere regeling) hebben beoogd die voorgaat op de hoofdregels, zij het dat artikel 14 geen hoofdregel is. Toch ziet de Kennisgroep in artikel 20 een lex specialis ten opzichte van artikel 14.

Dezelfde Kennisgroep heeft ook een standpunt ingenomen over de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en België bij uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) in verband met zwangerschaps-, bevallings- en ouderschapsverlof en aanvullingen van de werkgever daarop.

De Kennisgroep is van mening dat het heffingsrecht over de zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen het heffingsrecht volgt over eventuele werkzaamheden die worden verricht tijdens het verlof (artikel 18). Als gedurende de verlofperiode, zoals gebruikelijk, geen werkzaamheden worden verricht, dan wordt het heffingsrecht gebaseerd op het gebruikelijke werkpatroon. Dit gebruikelijke werkpatroon wordt in redelijkheid vastgesteld.

Het heffingsrecht over de uitkering voor ouderschapsverlof is toegewezen aan  het woonland.

De aanvulling door de werkgever (tot 100% van het reguliere salaris) is -krachtens het arbeidsartikel (artikel 15 van het verdrag)- belast in het land dat het heffingsrecht zou hebben gehad over het arbeidsinkomen van de werknemer, als zij geen verlof had gehad.

Heb je vragen over de toepassing van het belastingverdrag Nederland-België of een ander belastingverdrag? Neem dan contact met ons op.

Deel dit bericht via