Op 13 april 2026 is een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gepubliceerd waarin de vraag was of de arbeidsrelatie tussen een coöperatie van melkveehouders en haar statutair bestuursleden als een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden gekwalificeerd. Volgens de Belastingdienst wel.
Voor de vraag of sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is maatgevend of de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen een arbeidsovereenkomst is in de zin van artikel 7:610 BW. Hiervoor moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Bij de vaststelling of hiervan sprake is, moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Zie het arrest De Gouden Kooi van 25 maart 2011. Voorts is niet één enkel kenmerk beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien. Zie het Groen/Schoevers-arrest van 14 november 1997.
In casu spitst zicht het geschil enkel toe op de vraag of de statutair bestuurders in een gezagsverhouding staan ten opzichte van de coöperatie. Waar de coöperatie verwijst naar allerlei jurisprudentie, zoals het Deliveroo-arrest en het Uber-arrest, om het bestaan van een gezagsverhouding te weerleggen, voert de Belastingdienst aan dat de vaststelling of sprake is van een gezagsverhouding bij bestuursleden een formele benadering moet worden toegepast: bestaat er een instructiebevoegdheid op grond van de statuten? Het Hof volgt de redenatie van de Belastingdienst. De algemene ledenvergadering van belanghebbende, de coöperatie, is bevoegd de statutair bestuurders te benoemen, te schorsen of te daarmee staan deze bestuurders onder het gezag van belanghebbende. Het Hof ziet geen aanleiding te veronderstellen dat de Hoge Raad in het Deliveroo-arrest en het Uber-arrest is teruggekomen van zijn hiervoor genoemde formele benadering in gevallen als het onderhavige.
Waar de arbeidsrelatie van maaltijdbezorgers en taxichauffeurs holistisch moet worden beoordeeld, lijkt bij statutair bestuurders te kunnen worden volstaan met een formele benadering. We zijn benieuwd of de Hoge Raad dat ook vindt.
Het Hof vernietigt de verzuimboete omdat sprake is van een pleitbaar standpunt. Hoewel het Hof van oordeel is dat de formele benadering nog steeds heeft te gelden, kan daar, ook reeds ten tijde van het doen van de aangiften, twijfel over bestaan. Voor de pleitbaarheid van het standpunt kan steun worden ontleend aan de in een door belanghebbende aangehaalde artikel geuite twijfel, waaruit kan worden afgeleid dat – althans voor de auteurs – niet vaststaat dat de holistische benadering niet toch relevant kan zijn.
Meer weten over het kwalificeren van een arbeidsrelatie? Neem dan contact met ons op.
