Uitkering aan arbeidsongeschikt geraakte militair belast

Om van ‘loon’ in de zin van art. 10, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 te kunnen spreken, moet het verkrijgen van het voordeel in redelijkheid toe te rekenen zijn aan de dienstbetrekking. Uit het Smeerkuil 1-arrest van 29 juni 1983 volgt dat vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht niet tot het loon behoren, behoudens bijzondere omstandigheden. In r.o. 3.4 van het arrest van 21 februari 2001 heeft de Hoge Raad aangegeven dat het bij ‘bijzondere omstandigheden’ gaat om omstandigheden zoals afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen, waaraan de werknemer een recht op vergoeding wegens verlies van arbeidskracht ontleent.

In het Smeerkuil 2-arrest (of Brandweerman-arrest) van 25 maart 2022 heeft de Hoge Raad de uitzondering van ‘bijzondere omstandigheden’ – waaronder vergoedingen van immateriële schade en verlies aan arbeidskracht toch tot het loon behoren – genuanceerd. D.w.z. de Hoge Raad heeft geoordeeld dat een afspraak in een arbeidsovereenkomst of rechtspositionele regeling niet op voorhand betekent dat sprake is van loon. De uitzondering geldt indien en voor zover de werkgever aan zijn erkenning van aansprakelijkheid een hogere vergoeding verbindt dan rechtstreeks uit die aansprakelijkheid voortvloeit. Wanneer de werkgever dus geen hogere vergoeding aan de erkenning van aansprakelijkheid verbindt, brengt de vastlegging in de arbeidsovereenkomst materieel geen verandering in de rechten die de werknemer als gevolg van het ongeval heeft. Alsdan is er ook geen reden om over de belastbaarheid van de vergoeding anders te oordelen dan in het geval van de werknemer ten aanzien van wie in de arbeidsovereenkomst niets is geregeld omtrent een vergoeding als hiervoor bedoeld.

Kortom, indien bij of krachtens de arbeidsovereenkomst geen hogere vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht zijn voorzien dan bepaald worden door de op de werkgever rustende aansprakelijkheid, doet de uitzondering op de hoofdregel zich dus niet voor.

voor de volledigheid zij opgemerkt, dat uitkeringen die worden genoten ter vervanging van te derven inkomen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van een ongeval, niet als vergoedingen voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht kwalificeren. Dergelijke uitkeringen zijn belast als loon.

Op 23 juli 2025 heeft Rechtbank Zeeland-West Brabant uitspraak gedaan over de verschuldigdheid van belastingheffing over verschillende uitkeringen die een oud militair ontvangt omdat hij arbeidsongeschikt is geraakt door – tijdens missies opgelopen – ernstige trauma’s  De uitkeringen die de oud militair vanwege de arbeidsongeschiktheid ontvangt zijn periodiek een van het leven afhankelijk Militair Invaliditeitspensioen (MIP) en een Bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV).

De rechtbank merkt op dat de Hoge Raad in voornoemde arresten niet zegt dat een immateriële schadevergoeding in zijn algemeen niet belastbaar is. De hoofdregel die uit de arresten volgt, is dat een immateriële schadevergoeding niet kan worden aangemerkt als loon. Daarmee is niet gezegd dat voor de immateriële schadevergoeding een vrijstelling geldt en de immateriële schadevergoeding dus ook niet op andere gronden kan worden belast. Uit het Brandweerman-arrest kan daarom, volgens de rechtbank, niet worden afgeleid dat immateriële schadevergoedingen niet als belastbare periodieke uitkeringen kunnen worden aangemerkt. Dit blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2013. In dit arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat immateriële schadevergoedingen belastbare periodieke uitkeringen kunnen zijn.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de BIV kwalificeert als publiekrechtelijke periodieke uitkeringen d.w.z. een reeks van uitkeringen die rechtstreeks voortvloeien uit wettelijke voorschriften van publiekrechtelijke aard. De rangorderegeling in de Wet inkomstenbelasting 2001 staat volgens de rechtbank niet in de weg aan het als publiekrechtelijke periodieke uitkering belasten van de BIV.

Voor het MIP staat, in tegenstelling tot de BIV, niet vast dat de uitkering moet worden gezien als een immateriële schadevergoeding. Dat betekent dat ook niet vaststaat dat de MIP niet kan worden aangemerkt als loon. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen met betrekking tot de BIV merkt de rechtbank op dat het MIP in ieder geval voldoet aan de voorwaarden om als publiekrechtelijke periodieke uitkering te kwalificeren. De rechtbank laat daarom in het midden of het MIP moet worden aangemerkt als loon of dat het MIP een immateriële schadevergoeding is en moet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke periodieke uitkering. In beide gevallen kan het MIP namelijk in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken.

De procedure kent een voor de oud militair negatieve uitkomst waarbij de rechtbank benadrukt dat zij uitspraak dient te doen op basis van de geldende wetgeving. Het is aan de wetgever om eventueel een andere fiscale behandeling van deze uitkeringen mogelijk te maken.

Heeft u vragen of over de verschuldigdheid van belastingheffing over een uitkering? Neem dan gerust contact met ons op.

Deel dit bericht via