De regels voor de bijtelling voor het privégebruik van een elektrische auto zijn de laatste jaren veelvuldig gewijzigd. Zo gold bijvoorbeeld voor een elektrische auto die in 2019 voor het eerst is toegelaten een bijtellingspercentage van 4% over de eerste € 50.000 van de cataloguswaarde en voor het meerdere het reguliere percentage van 22%. In het pakket Belastingplan 2020 is voorgesteld om het bijtellingstarief van 4% te verhogen naar 8% en het bedrag van € 50.000 te verlagen naar € 45.000. Dit voorstel was eerder op 28 juni 2019 in het Klimaatakkoord aangekondigd. Het voorstel voor de verdubbeling van het bijtellingspercentage voor elektrische auto’s is uiteindelijk aangenomen en per 1 januari 2020 inwerking getreden.
Per 1 januari 2020 is de korting op het reguliere bijtellingspercentage van 22% daarmee verlaagd tot 14% (2019: 18%) en tegelijkertijd de cap verlaagd tot € 45.000 (2019: 50.000). Hierdoor bedraagt de korting op de bijtelling in 2020 maximaal 14% van € 45.000 is € 6.300. In 2019 was dat maximaal 18% van € 50.000 is € 9.000. Deze korting geldt echter wel gedurende maximaal 60 maanden.
Wat nu als er een elektrische auto is besteld vóór 28 juni 2019 en de auto pas in 2020 wordt afgeleverd? Is de verdubbeling van het bijtellingspercentage een disproportionele schending van het eigendomsrecht? Rechtbank Noord-Nederland vindt in een uitspraak die op 16 juli 2025 is gepubliceerd van wel.
Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vormt belastingheffing een aantasting van het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van den Mens (EVRM). Dat artikel houdt in dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in overeenstemming moet zijn met het nationale recht (“lawfulness”) en een legitiem doel van algemeen belang (“legitimate aim”) moet dienen.
Het bepaalde in artikel 1 EP van het EVRM vereist dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening en aldus een waarborg biedt tegen willekeur (“arbitrariness”). De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van zijn handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen.
De door artikel 1 EP van het EVRM beoogde bescherming brengt mee dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist dat een redelijke en proportionele verhouding (“fair balance”) bestaat tussen het – legitieme – doel van algemeen belang en de bescherming van individuele rechten, en dat betrokkenen als gevolg daarvan niet worden getroffen met een individuele en buitensporige last.
Volgens de rechtbank heeft de wetgever onvoldoende nagedacht over de doorsnee levertijd van een elektrische auto in samenhang met de verdubbeling van het bijtellingspercentage per 1 januari 2020. Voor de wetgever had het duidelijk kunnen (en moeten) zijn dat er een redelijk grote groep mensen zou zijn die op het moment van de aankondiging van de verhoging van de bijtelling al verplichtingen waren aangegaan die niet zomaar teruggedraaid konden worden. Uit de wetgeschiedenis kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat de wetgever oog heeft gehad voor deze specifieke groep, terwijl dat wel voor de hand had gelegen.
De rechtbank vindt dat deze groep belastingplichtigen voorafgaand aan de aankondiging van de nieuwe wetgeving op 28 juni 2019 de gerechtvaardigde verwachting had dat de wetgever zich zou houden aan de oorspronkelijke aangekondigde plannen die hij in wetgeving had verankerd. Die wetgeving moet voldoende precies en voorzienbaar zijn, zodat een burger zijn gedrag daarop kan afstemmen.
De rechtbank komt naar haar overwegingen tot het oordeel dat er sprake is van een schending van artikel 1 EP van het EVRM ten aanzien van de groep belastingplichtigen die op het moment van aankondigen van de verdubbeling van de bijtelling reeds redelijkerwijs onomkeerbare (financiële) verplichtingen waren aangegaan. Door met deze groep mensen geen rekening te houden, is er geen sprake van een “fair balance”. Er zijn geen specifieke en dwingende redenen voor de aantasting van de gerechtvaardigde verwachtingen van de betreffende groep.
De rechtbank meent een effectieve rechtsbescherming tegen deze verdragsschending te kunnen bieden door het bijtellingspercentage voor 2020 te stellen op het percentage van vóór de aankondiging, dus 4%.
Het lijkt ons dat dat de Belastingdienst tegen deze (principiële) uitspraak in hoger beroep zal gaan.
Update.
Op 22 augustus 2025 is bericht dat de Belastingdienst inderdaad in beroep is gegaan tegen deze uitspraak.
Heeft u vragen over de fiscale regels rondom het gebruik van een (bestel)auto van de zaak? Neem dan gerust contact met ons op.
