In een eerder nieuwsbericht zijn wij ingegaan op het voorstel om de bijtellingsregeling voor de ter beschikking gestelde fiets met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 aan te passen. Het kabinet spreekt echter niet van een aanpassing maar van een verduidelijking.
Onlangs zijn er door staatssecretaris Heijnen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) in het kader van de behandeling van het pakket Belastingplan 2026 vragen beantwoord over dit voorstel.
De staatssecretaris geeft in zijn antwoorden aan dat het doel van de maatregel is dat een deelfiets die zakelijk wordt gebruikt niet meer belast is. De maatregel is vormgegeven zodat voor ov-fietsen, hubfietsen, dienstfietsen en andere (gedeelde) fietsen een bijtelling van nihil geldt. Voor dergelijke fietsen die alleen worden gebruikt voor de rit van bijvoorbeeld het ov-station naar de werkplek geldt dus dat dit onbelast is voor de loonheffingen. Als een dergelijke fiets incidenteel of voor omrijkilometers ook voor privédoeleinden wordt gebruikt, dan wil het kabinet voorkomen dat alsnog bijtelling voor deze fiets moet plaatsvinden.
Werkgevers kunnen ervan uit gaan dat elke vorm van deelfietsgebruik in het kader van de dienstbetrekking in principe onbelast is voor de loonheffingen. Dit is slechts anders als in de praktijk eigenlijk geen sprake is van een deelfiets of als een werknemer de fiets meer dan incidenteel voor woon-werkverkeer tot of vanaf de woning of voor privédoeleinden gebruikt, omdat een werknemer de fiets regelmatig (meer dan bijkomstig) mee naar huis neemt (het woon- of verblijfadres).
Bij ‘bij het woon- of verblijfadres van de werknemer stallen van de fiets’ kan gedacht worden aan het stallen van de fiets in de tuin, in de (fietsen)schuur bij het huis of in het appartementengebouw, in een fietsenrek op de stoep binnen enkele meters van de voordeur van de woning en dergelijke plekken. Als een fiets voor de woning of bij een deelfietsenhub in de buurt kan worden geparkeerd bijvoorbeeld via een app en daarna niet meer exclusief ter beschikking staat aan de werknemer, dan kwalificeert dat niet als het stallen van de fiets bij het woon- of verblijfadres. Ook niet als de deelfietsenhub zich vlakbij het woon- of verblijfadres bevindt.
Werkgevers kunnen het ‘niet voor privédoeleinden gebruiken van de fiets’ door werknemers extra borgen door bijvoorbeeld een verbod hierop op te nemen in een overeenkomst. Een extra waarborg dat de fiets niet privé wordt gebruikt, kan het voeren van een sleutelbeleid zijn. De werkgever en, bij controles, de Belastingdienst hoeven in deze gevallen enkel te controleren of er aanwijzingen zijn dat dergelijke afspraken door werknemers niet worden opgevolgd en of er andere bijzondere omstandigheden zijn die een nadere toetsing noodzakelijk maken.
Als een werkgever een fiets ter beschikking stelt, regelt de werkgever het vervoer van een werknemer en neemt de gerelateerde kosten voor eigen rekening. Een gericht vrijgestelde reiskostenvergoeding van € 0,23 per woon-werkkilometer is dan niet (meer) mogelijk.
Kortom, is er afgelopen jaren een bijtelling in aanmerking genomen en zou dat gezien de voorgestelde maatregel ten onrechte zijn geweest? Corrigeer dan vóór 2026 de eerder ingediende loonaangiften! Daarnaast moet dus schriftelijke worden vastgelegd dat de werknemer de ter beschikking gestelde fiets niet mee naar huis mag nemen.
Wanneer er vragen zijn naar aanleiding van het bericht of ondersteuning gewenst is, neem dan contact met ons op.
