Het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) bestaat uit twee delen:
- De verduidelijking wanneer een werkende als zelfstandige of werknemer kwalificeert.
- Een rechtsvermoeden van werknemerschap wanneer onder een bepaald uurtarief wordt gewerkt.
Eerder hebben wij bericht dat minister Van Hijum in een Kamerbrief van 27 maart 2025 heeft bericht dat het kabinet ernaar streeft om het aangepaste wetsvoorstel VBAR vóór de zomer bij de Kamer in te dienen. De wet VBAR zou dan per 1 januari 2026 in werking moeten treden. Het rechtsvermoeden van werknemerschap zou per 1 januari 2026 weleens kunnen gaan gelden bij een beloning dat lager is dan € 38,00 per uur.
Hoe komt het uurtarief voor rechtsvermoeden tot stand?
In paragraaf 4.4.1. van de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel VBAR is een berekening opgenomen van het uurtarief voor rechtsvermoeden. Deze berekening luidt:
Uurtarief bij 120% van het wettelijk minimumloon
+ 25% opslag t.b.v. kosten voor arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioenreservering
+ 15% opslag voor algemene, niet aan de opdracht toerekenbare kosten
= uurtarief na opslag
+ 50% opslag voor correctie niet facturabele uren
= uurtarief voor rechtsvermoeden (het bedrag wordt naar boven op hele euro’s afgerond).
Per 1 juli 2025 wordt het wettelijk minimumloon € 14,40. Zie een eerder bericht. Uit bovenstaande berekening volgt dan een uurtarief van € 36,29 d.w.z. afgerond € 37,00. Het wettelijk minimumloon moet dus met factor 2,52 worden vermenigvuldigd voor het uurtarief voor het rechtsvermoeden d.w.z. deze uitkomst moet nog naar boven op hele euro’s worden afgerond. Mocht het wettelijk minimumloon per 1 januari 2026 meer bedragen dan € 14,70 dan bedraagt het uurtarief voor rechtsvermoeden € 38,00.
Mocht u vragen hebben naar aanleiding van dit bericht, neem dan gerust contact met ons op.
