Volgens rechtbank geen arbeidsovereenkomst tussen zorgmaatjes en bureau

Als opdrachtgever wil je zekerheid over de kwalificatie van de arbeidsrelatie met de werkende. Je wil voorkomen dat de arbeidsrelatie met terugwerkende kracht als (fictieve) dienstbetrekking wordt aangemerkt. Als werkgever krijg je immers te maken met verplichtingen op basis van bijvoorbeeld de loonheffingen en het arbeidsrecht. Kortom, zekerheid is gewenst.

Dat was ook de reden dat een organisatie die zich bezighoudt met het aanbieden van aanvullende mantelzorg in de vorm van persoonlijke begeleiding en hulp in de huishouding aan thuiswonende ouderen en andere hulpbehoevenden door freelance mantelzorgers tezamen met deze zogenoemde “zorgmaatjes” naar de rechter is gegaan om bevestigd te krijgen dat de overeenkomst tussen hen kwalificeert als een overeenkomst van opdracht en geen arbeidsovereenkomst. Deze mogelijkheid bestaat krachten art. 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Op 26 mei 2026 is de uitspraak van Rechtbank Rotterdam op dit verzoek gepubliceerd. De uitspraak kent de bekende opbouw voor het beantwoorden van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht:

  • In fase 1 moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen met elkaar hebben afgesproken. Dat moet worden gedaan volgens de Haviltexmaatstaf. Dat betekent dat niet alleen moet worden gekeken naar wat partijen letterlijk in hun overeenkomst hebben opgeschreven, maar ook naar wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In deze fase is er ruimte voor de bedoeling van de partijen en ook hun maatschappelijke positie kan een rol spelen.
  • In fase 2 wordt beoordeeld of die afspraken (rechten en verplichtingen) de kenmerken hebben van een arbeidsovereenkomst. Het maakt hierbij niet uit of partijen zelf de bedoeling hadden om onder de regels van een arbeidsovereenkomst te vallen. Als de afgesproken rechten en verplichtingen voldoen aan wat de wet zegt over een arbeidsovereenkomst, dan moet de overeenkomst ook als zodanig worden gezien. Of een overeenkomst echt als een arbeidsovereenkomst moet worden gezien, hangt af van alle omstandigheden samen. Daarbij zijn onder meer de in het Deliveroo-arrest opgesomde negen gezichtspunten van belang

Ter zake van fase 1 wordt onder meer opgemerkt dat de zorgmaatjes vrij zijn in het accepteren van een opdracht tot het verlenen van mantelzorg. Een zorgmaatje voert het werk zelfstandig uit, op een manier die hij of zij zelf passend vindt, zonder toezicht of directe aansturing van de organisatie. De zorgmaatjes mogen tijdens een opdracht gewoon voor een andere opdrachtgever werken. Voor het uitvoeren van de mantelzorgwerkzaamheden ontvangen de zorgmaatjes € 21,60 per gewerkt uur (exclusief btw). Daarnaast kan worden afgesproken dat een zorgmaatje recht heeft op toeslagen, bijvoorbeeld voor werk in de avonduren of op zon- en feestdagen. De facturering en uitbetaling van de gewerkte uren lopen via Verloning.nl. Alleen gewerkte uren worden betaald.

In fase 2 loopt de rechter de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest af en komt tot de conclusie dat sprake is van een overeenkomst van opdracht en geen arbeidsovereenkomsten. Op de overweging van de rechter is veel af te dingen. We halen bijvoorbeeld de overwegingen van de rechtbank aan bij gezichtspunten 8 e 9 uit het Deliveroo-arrest.

In het feit dat de hoogte van de beloning ‘maar’ € 21,60 per uur is, ziet de rechter geen aanwijzing voor een arbeidsovereenkomst. Doordat de zorgmaatjes doorgaans niet financieel afhankelijk van deze inkomsten zijn, heeft de hoogte van de beloning in deze relatie een minder centrale rol dan bij een gewone arbeidsovereenkomst, waar loon meestal een belangrijke drijfveer is. De hoogte van het uurtarief zegt dus nog niet zoveel voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Deze overweging suggereert dat de financiële situatie van de werkende belangrijk is bij gezichtspunt 8.  Oftewel, bij een zeer vermogende werkende zou dit gezichtspunt alsdan per definitie wijzen op een overeenkomst van opdracht.

Het feit dat de zorgmaatjes ook voor andere opdrachtgevers mogen werken en zich niet beschikbaar hoeven te houden voor de organisatie wordt door de rechter als voldoende onderbouwing voor extern ondernemerschap (gezichtspunt 9) gezien. Gezichtspunt 9 lijkt in deze optiek al gauw naar een aanwijzing voor een overeenkomst van opdracht.

Afijn, de inzet van deze zorgmaatjes wordt dus door deze rechter gezien als een bemiddelingsvariant waarbij tussen de organisatie en de zorgmaatjes een overeenkomst van opdracht bestaat. Voor de loonheffingen kennen we echter via art. 2a Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 een fictieve dienstbetrekking voor tussenkomstsituaties. We vragen ons af of deze fictie hier niet van toepassing is nu de betalingen via Verloning.nl verlopen en de zorgmaatjes de arbeid niet in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep lijken te verrichten. Interessant wat de belastingdienst hiervan vindt.

Heb je vragen naar aanleiding van dit bericht of twijfel je over de kwalificatie van een arbeidsrelatie? Neem dan contact met ons op. Wij zijn expert in dit soort vraagstukken.

Deel dit bericht via