Op basis van art. 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) is er geen loonbelasting verschuldigd wanneer de werkende als vrijwilliger uitsluitend vergoedingen of verstrekkingen ontvangt met een gezamenlijke waarde van ten hoogste € 210 per maand en € 2.100 per kalenderjaar. Hierbij wordt onder vrijwilliger verstaan degene die niet bij wijze van beroep (lees: voor een uurvergoeding van minder dan € 5,60 of € 3,30 bij jonger dan 21 jaar) arbeid verricht voor een algemeen nut beogende instelling, een sportorganisatie of een lichaam dat niet is onderworpen aan de vennootschapsbelasting of daarvan is vrijgesteld.
Sinds enkele jaren wordt de vrijwilligersvergoeding jaarlijks geïndexeerd, zij het dat het maximumbedrag per kalenderjaar rekenkundig afgerond wordt op een veelvoud van € 100. Dit betekent in de praktijk dat de in de wet opgenomen maxima niet ieder jaar wijzigen. Sinds 1 januari 2024 zijn de normbedragen € 210 per maand en € 2.100 per kalenderjaar.
In een Kamerbrief van 3 april 2025 heeft staatssecretaris Van Oostenbruggen van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane -aangegeven dat het kabinet het niet nodig vindt om de (fiscale) vrijwilligersvergoeding beleidsmatig te verhogen. De vrijwilligersvergoeding wordt immers jaarlijks geïndexeerd.
In de Kamerbrief merkt de staatssecretaris ook op dat de vrijwilligersregeling in de loonbelasting geen vrijstelling is, maar een forfaitaire kostenvergoeding. Fiscaal technisch lijkt deze opmerking niet juist. Op basis van de vrijwilligersregeling is een vrijwilliger geen ‘werknemer’ in de zin van de Wet LB. Een forfaitaire kostenvergoeding is bijvoorbeeld de € 0,23 per afgelegde kilometer en de € 2,40 per thuiswerkdag uit art. 31a Wet LB .
Heeft u vragen naar aanleiding van dit bericht of wilt u meer weten over de vrijwilligersregeling, neem dan gerust contact met ons op.
