Wanneer de werkgever ‘loon’ in de zin van art. 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) verstrekt, dan kwalificeert hij als inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. De inhoudingsplichtige zal dan in de regel loonbelasting op het loon moeten inhouden, welke de werknemer later als voorheffing in mindering kan brengen op de verschuldigde inkomstenbelasting.
Wanneer er wel sprake is van loon, maar er bestaat geen inhoudingsplicht dan wel de inhoudingsplichtige is simpelweg niet op de hoogte van de loonverstrekking, dan is over het loon wel inkomstenbelasting verschuldigd maar wordt geen loonbelasting als voorheffing ingehouden.
Van loon waarvoor de werkgever inhoudingsplichtig is (beter gezegd, werkgeversloon) is sprake indien aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:
- Er is sprake van genieten (voordeelseis).
- Er is voldoende causaal verband tussen het voordeel en de dienstbetrekking (causaliteitseis).
- De werkgever verstrekt het voordeel en is zich daarvan bewust (verstrekkingseis).
Het begrip ‘verstrekken’ moet hierbij ruim worden opgevat. Tot het werkgeversloon behoren niet alleen door de werkgever verstrekte voordelen, maar ook in opdracht en voor rekening van de werkgever verstrekte voordelen (lees: met medeweten van). Er bestaat dus louter een inhoudingsplicht bij de werkgever als hij zich bewust is van de het verstrekken van het voordeel. Zo is er geen sprake van werkgeversloon als een werknemer geld verduistert van zijn werkgever.
Naast werkgeversloon bestaat er ‘loon van derden’. Beter gezegd, loon afkomstig van derden waarvoor de werkgever geen opdracht heeft gegeven noch weet van heeft. Voor loon van derden is de werkgever in principe niet inhoudingsplichtig, zij het dat in art. 12 Wet LB i.c.m. art. 3.6 Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (URLB 2011) een tweetal uitzonderingssituaties zijn benoemd:
- voor zover bij het bepalen van het voor de werknemer rechtens geldende loon hiermee rekening is gehouden;
- voor de werknemer die werkzaam is bij een onderneming waarin horeca-activiteiten worden verricht en die van zijn werkgever niet ten minste het rechtens geldende loon ontvangt tot een bedrag ter grootte van dat rechtens geldende loon verminderd met het rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon.
Op 1 mei 2025 is een standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen van de Belastingdienst gepubliceerd over een eventuele inhoudingsplicht voor fooien. In het voorbeeld heeft de werkgever bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden geen rekening gehouden met de fooien. De werkgever betaalt het loon conform de geldende cao. De werkgever verdeelt de fooien in contanten over de werknemers. In casu is sprake van loon van derden waarvoor de werkgever niet inhoudingsplichtig is. Er is immers geen sprake van één van de twee uitzonderingssituatie van art. 3.6 URLB 2011. De werknemer moet in zijn aangifte inkomstenbelasting het werkelijke bedrag aan fooien opgeven.
Heeft u vragen over de inhoudingsplicht voor de loonbelasting, neem dan gerust contact met ons op.
